Naar de inhoud

delegeren

taken en verantwoordelijkheden doorgeven

delegeren

werkwoord

Betekenis

  1. taken en verantwoordelijkheden doorgeven
  2. afvaardigen, afgevaardigde laten zijn
  3. je taak door iemand anders laten uitvoeren terwijl je zelf toch de eindverantwoordelijke blijft

Vervoeging van delegeren

delegerenhele werkwoord — delegeerdeverleden tijd enkelvoud — delegeerdenverleden tijd meervoud — gedelegeerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik delegeer delegeerde
jij delegeert delegeerde
hij, zij, het delegeert delegeerde
wij delegeren delegeerden
jullie delegeren delegeerden
zij delegeren delegeerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gedelegeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gedelegeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
delegeer gebiedende wijs
delegeerde verleden tijd
delegere aanvoegende wijs
delegerend onvoltooid, deelwoord
er is gedelegeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gedelegeerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gedelegeerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gedelegeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gedelegeerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gedelegeerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gedelegeerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gedelegeerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gedelegeerd verleden tijd, deelwoord
gedelegeerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gedelegeerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gedelegeerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedelegeerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedelegeerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedelegeerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gedelegeerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gedelegeerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gedelegeerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gedelegeerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gedelegeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gedelegeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gedelegeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gedelegeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gedelegeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gedelegeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gedelegeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gedelegeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedelegeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gedelegeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedelegeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gedelegeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gedelegeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedelegeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedelegeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gedelegeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gedelegeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te delegeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gedelegeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen delegeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gedelegeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gedelegeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gedelegeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gedelegeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gedelegeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gedelegeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gedelegeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gedelegeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gedelegeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gedelegeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gedelegeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gedelegeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gedelegeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gedelegeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gedelegeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gedelegeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gedelegeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gedelegeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gedelegeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gedelegeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal delegeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal delegeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal delegeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gedelegeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedelegeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gedelegeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gedelegeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedelegeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gedelegeerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedelegeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn gedelegeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gedelegeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gedelegeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gedelegeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou delegeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou delegeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou delegeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gedelegeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedelegeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedelegeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gedelegeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedelegeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gedelegeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedelegeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedelegeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedelegeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden delegeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden delegeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden delegeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gedelegeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedelegeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedelegeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gedelegeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gedelegeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gedelegeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gedelegeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedelegeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedelegeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt delegeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gedelegeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gedelegeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gedelegeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen delegeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen delegeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen delegeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen delegeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gedelegeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gedelegeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gedelegeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gedelegeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gedelegeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gedelegeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gedelegeerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gedelegeerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gedelegeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult delegeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gedelegeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gedelegeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gedelegeerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘overdragen, afvaardigen’ voor het eerst aangetroffen in 1597

Woordfamilie van delegeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
delegeer gebiedende wijs delegeren
delegeerde verleden tijd delegeren
delegeerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon delegeren
delegeert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon delegeren
delegere aanvoegende wijs delegeren
delegerend onvoltooid deelwoord delegeren
delegerende woordvorm delegeren
gedelegeerd voltooid deelwoord delegeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van delegeren zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over delegeren

Wat is de betekenis van delegeren?
Delegeren is een werkwoord. De betekenis is: taken en verantwoordelijkheden doorgeven. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik delegeren?
Zo vervoeg je delegeren zo: de tegenwoordige tijd is delegeer, de verleden tijd is delegeerde en het voltooid deelwoord is gedelegeerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord delegeren is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. E 1
  3. L 3
  4. E 1
  5. G 3
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

delegeren levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 63 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. E 1
  3. L 3
  4. E 1
  5. G 3
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 zonder bonus
  11. 63 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

delegeren in het kort

delegeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van delegeren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort delegeren bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

delegeren: taken en verantwoordelijkheden doorgeven
Deel delegeren — standaardnederlands.nl