delegeren
werkwoordBetekenis
- taken en verantwoordelijkheden doorgeven
- afvaardigen, afgevaardigde laten zijn
- je taak door iemand anders laten uitvoeren terwijl je zelf toch de eindverantwoordelijke blijft
Vervoeging van delegeren
delegerenhele werkwoord — delegeerdeverleden tijd enkelvoud — delegeerdenverleden tijd meervoud — gedelegeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | delegeer | delegeerde |
| jij | delegeert | delegeerde |
| hij, zij, het | delegeert | delegeerde |
| wij | delegeren | delegeerden |
| jullie | delegeren | delegeerden |
| zij | delegeren | delegeerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gedelegeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gedelegeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| delegeer | gebiedende wijs |
| delegeerde | verleden tijd |
| delegere | aanvoegende wijs |
| delegerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gedelegeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedelegeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedelegeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedelegeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedelegeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedelegeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedelegeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedelegeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedelegeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedelegeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedelegeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedelegeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedelegeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedelegeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedelegeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedelegeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedelegeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedelegeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedelegeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedelegeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedelegeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedelegeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedelegeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedelegeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedelegeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedelegeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedelegeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedelegeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedelegeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedelegeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedelegeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedelegeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedelegeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedelegeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gedelegeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gedelegeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te delegeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedelegeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen delegeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gedelegeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedelegeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gedelegeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedelegeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gedelegeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gedelegeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gedelegeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gedelegeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gedelegeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gedelegeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gedelegeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gedelegeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gedelegeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gedelegeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gedelegeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gedelegeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gedelegeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gedelegeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gedelegeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gedelegeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal delegeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal delegeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal delegeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedelegeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedelegeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedelegeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gedelegeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedelegeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gedelegeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedelegeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gedelegeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gedelegeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gedelegeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gedelegeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou delegeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou delegeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou delegeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedelegeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedelegeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedelegeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gedelegeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedelegeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gedelegeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedelegeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedelegeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedelegeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden delegeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden delegeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden delegeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedelegeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedelegeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedelegeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedelegeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gedelegeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gedelegeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedelegeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedelegeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedelegeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt delegeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedelegeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedelegeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedelegeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen delegeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen delegeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen delegeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen delegeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedelegeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedelegeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedelegeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedelegeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gedelegeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gedelegeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedelegeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedelegeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedelegeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult delegeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedelegeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedelegeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedelegeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘overdragen, afvaardigen’ voor het eerst aangetroffen in 1597
Woordfamilie van delegeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| delegeer | gebiedende wijs | delegeren |
| delegeerde | verleden tijd | delegeren |
| delegeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | delegeren |
| delegeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | delegeren |
| delegere | aanvoegende wijs | delegeren |
| delegerend | onvoltooid deelwoord | delegeren |
| delegerende | woordvorm | delegeren |
| gedelegeerd | voltooid deelwoord | delegeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van delegeren zijn vastgelegd.