declineren
werkwoordBetekenis
- de naamvalsvormen opsommen
- afwijken
Vervoeging van declineren
declinerenhele werkwoord — declineerdeverleden tijd enkelvoud — declineerdenverleden tijd meervoud — gedeclineerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | declineer | declineerde |
| jij | declineert | declineerde |
| hij, zij, het | declineert | declineerde |
| wij | declineren | declineerden |
| jullie | declineren | declineerden |
| zij | declineren | declineerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| declineer | gebiedende wijs |
| declineerde | verleden tijd |
| declinere | aanvoegende wijs |
| declinerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedeclineerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedeclineerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedeclineerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedeclineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedeclineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedeclineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedeclineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedeclineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedeclineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedeclineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedeclineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedeclineerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedeclineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedeclineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedeclineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedeclineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedeclineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedeclineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te declineren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedeclineerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen declineren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal declineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal declineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal declineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedeclineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedeclineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedeclineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou declineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou declineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou declineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedeclineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedeclineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedeclineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden declineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden declineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden declineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedeclineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedeclineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedeclineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt declineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedeclineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen declineren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen declineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen declineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen declineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedeclineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedeclineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedeclineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult declineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedeclineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘verbuigen’ voor het eerst aangetroffen in 1552
Woordfamilie van declineren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| declineer | gebiedende wijs | declineren |
| declineerde | verleden tijd | declineren |
| declineerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | declineren |
| declineert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | declineren |
| declinere | aanvoegende wijs | declineren |
| declinerend | onvoltooid deelwoord | declineren |
| declinerende | woordvorm | declineren |
| gedeclineerd | voltooid deelwoord | declineren |
| gedeclineerde | woordvorm | declineren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van declineren zijn vastgelegd.