debriefen
werkwoordBetekenis
- na een missie, m.n. een militaire missie, psychologische ondersteuning bieden
- nabespreken, evalueren
Vervoeging van debriefen
debriefenhele werkwoord — debriefdeverleden tijd enkelvoud — debriefdenverleden tijd meervoud — gedebriefdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | debrief | debriefde |
| jij | debrieft | debriefde |
| hij, zij, het | debrieft | debriefde |
| wij | debriefen | debriefden |
| jullie | debriefen | debriefden |
| zij | debriefen | debriefden |
Alle 183 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gedebriefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bent gedebriefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| debrief | gebiedende wijs |
| debriefde | verleden tijd |
| debriefe | aanvoegende wijs |
| debriefend | onvoltooid, deelwoord |
| debriefte | verleden tijd |
| er is gedebriefd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedebriefd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedebriefd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedebriefd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedebriefd | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedebriefd | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedebriefd | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedebriefd | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedebriefd | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedebriefd | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedebriefd | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedebriefd | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedebriefd | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedebriefd | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedebriefd | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedebriefd | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedebriefd | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedebriefd | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedebriefd | verleden tijd, deelwoord |
| gedebrieft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedebrieft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedebrieft | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| gedebrieft | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| gedebrieft | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| gedebrieft | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| gedebrieft | verleden tijd, deelwoord |
| gedebrieft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| gedebrieft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| gedebrieft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| gedebrieft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| gedebrieft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| gedebrieft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| gedebrieft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| gedebrieft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| gedebrieft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| gedebrieft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| gedebrieft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| gedebrieft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| gedebrieft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| gedebrieft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| gedebrieft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| gedebrieft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| gedebrieft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| gedebrieft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| gedebrieft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| gedebrieft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| gedebrieft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| gedebrieft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| gedebrieft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| gedebrieft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| gedebrieft te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedebrieft te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedebrieft te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedebrieft te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedebrieft te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedebrieft worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| gedebrieft worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| gedebrieft worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedebrieft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| gedebrieft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| gedebrieft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| gedebrieft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| gedebrieft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| gedebrieft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| gedebrieft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| gedebrieft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| gedebrieft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| gedebrieft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| gedebrieft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| gedebrieft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| gedebrieft zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| gedebrieft zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| gedebrieft zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedebrieft zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| gedebrieft zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| gedebrieft zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| gedebrieft zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| gedebrieft zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| gedebrieft zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| gedebrieft zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedebrieft zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedebrieft zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedebriefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedebriefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedebriefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedebriefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedebriefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedebriefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedebriefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedebriefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedebriefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedebriefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedebriefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedebriefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt gedebriefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedebriefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedebriefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gedebriefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gedebriefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te debriefen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedebriefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen debriefen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gedebriefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedebriefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gedebriefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedebriefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gedebriefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gedebriefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gedebriefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gedebriefd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gedebriefd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gedebriefd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gedebriefd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gedebriefd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gedebriefd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gedebriefd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gedebriefd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gedebriefd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gedebriefd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gedebriefd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gedebriefd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gedebriefd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal debriefen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal debriefen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal debriefen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedebriefd | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedebriefd | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedebriefd | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
Herkomst
van het Engelse werkwoord debrief
Woordfamilie van debriefen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| debrief | gebiedende wijs | debriefen |
| debriefde | verleden tijd | debriefen |
| debriefden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | debriefen |
| debriefe | aanvoegende wijs | debriefen |
| debriefend | onvoltooid deelwoord | debriefen |
| debriefende | woordvorm | debriefen |
| debrieft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | debriefen |
| debriefte | verleden tijd | debriefen |
| debrieften | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | debriefen |
| gedebriefd | voltooid deelwoord | debriefen |
| gedebriefde | woordvorm | debriefen |
| gedebrieft | voltooid deelwoord | debriefen |
| gedebriefte | woordvorm | debriefen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van debriefen zijn vastgelegd.