buldog
zelfstandig naamwoord ˈbʏldɔxBetekenis
- een stevig gebouwde hond met een grote kop en afhangende liphoeken, destijds gefokt om tegen stieren te vechten
Hoe spreek je buldog uit?
/ˈbʏldɔx/
Buldog bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ʏ | put |
| l | land |
| d | dak |
| ɔ | bot |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- stevig gebouwde hond met een grote kop en afhangende liphoeken, destijds gefokt om tegen stieren te vechten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| buldoggen | meervoud |
| buldogje | verkleinwoord, enkelvoud |
| buldogjes | verkleinwoord, meervoud |
| buldogs | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘hondensoort’ voor het eerst aangetroffen in 1729
Woordfamilie van buldog
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| buldoggen | meervoud | buldog |
| buldogje | verkleinwoord | buldog |
| buldogjes | verkleinwoord meervoud | buldog |
| buldogs | meervoud | buldog |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van buldog zijn vastgelegd.