lummelen
werkwoordBetekenis
- een tijd luiachtig doorbrengen
- een spel waarbij mensen in een rondje staan en een voorwerp (meestal een bal) naar elkaar gooien, terwijl iemand in het midden van het rondje (de lummel) probeert het voorwerp te onderscheppen
Vervoeging van lummelen
lummelenhele werkwoord — lummeldeverleden tijd enkelvoud — lummeldenverleden tijd meervoud — gelummeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | lummel | lummelde |
| jij | lummelt | lummelde |
| hij, zij, het | lummelt | lummelde |
| wij | lummelen | lummelden |
| jullie | lummelen | lummelden |
| zij | lummelen | lummelden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gelummeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gelummeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gelummeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gelummeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gelummeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gelummeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gelummeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gelummeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gelummeld | verleden tijd, deelwoord |
| gelummeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelummeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gelummeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gelummeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gelummeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gelummeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gelummeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gelummeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gelummeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gelummeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelummeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gelummeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelummeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gelummeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gelummeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelummeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelummeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| lummel | gebiedende wijs |
| lummelde | verleden tijd |
| lummele | aanvoegende wijs |
| lummelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gelummeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te lummelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen lummelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gelummeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gelummeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gelummeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal lummelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal lummelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal lummelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gelummeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gelummeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gelummeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou lummelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou lummelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou lummelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gelummeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gelummeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gelummeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden lummelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden lummelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden lummelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gelummeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt lummelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gelummeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gelummeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gelummeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen lummelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen lummelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen lummelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen lummelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gelummeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult lummelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van het zelfstandig naamwoord lummel (synoniem voor lomperik en sukkel), van het Nederduitse woord lummel
Woordfamilie van lummelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gelummeld | voltooid deelwoord | lummelen |
| lummelde | verleden tijd | lummelen |
| lummelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | lummelen |
| lummele | aanvoegende wijs | lummelen |
| lummelend | onvoltooid deelwoord | lummelen |
| lummelende | woordvorm | lummelen |
| lummelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | lummelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lummelen zijn vastgelegd.