cureren
werkwoordBetekenis
- genezen
werkwoord
- handelen als een curator transitive
Vervoeging van cureren
curerenhele werkwoord — cureerdeverleden tijd enkelvoud — cureerdenverleden tijd meervoud — gecureerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | cureer | cureerde |
| jij | cureert | cureerde |
| hij, zij, het | cureert | cureerde |
| wij | cureren | cureerden |
| jullie | cureren | cureerden |
| zij | cureren | cureerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gecureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gecureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| cureer | gebiedende wijs |
| cureerde | verleden tijd |
| curere | aanvoegende wijs |
| curerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gecureerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gecureerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gecureerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gecureerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gecureerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gecureerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gecureerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gecureerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gecureerd | verleden tijd, deelwoord |
| gecureerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gecureerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gecureerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecureerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecureerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecureerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gecureerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gecureerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gecureerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gecureerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gecureerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gecureerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gecureerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gecureerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gecureerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gecureerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gecureerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gecureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecureerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gecureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gecureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gecureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gecureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gecureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te cureren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gecureerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen cureren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gecureerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gecureerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gecureerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gecureerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gecureerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gecureerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gecureerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gecureerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gecureerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gecureerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gecureerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gecureerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gecureerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gecureerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gecureerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gecureerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gecureerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gecureerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gecureerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gecureerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal cureren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal cureren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal cureren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gecureerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecureerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gecureerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gecureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gecureerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecureerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gecureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gecureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gecureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gecureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou cureren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou cureren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou cureren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gecureerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecureerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecureerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gecureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gecureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecureerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecureerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecureerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden cureren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden cureren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden cureren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gecureerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gecureerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gecureerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gecureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gecureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gecureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gecureerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gecureerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gecureerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt cureren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gecureerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gecureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gecureerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen cureren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen cureren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen cureren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen cureren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gecureerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gecureerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gecureerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gecureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gecureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gecureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gecureerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gecureerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gecureerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult cureren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gecureerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gecureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gecureerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘genezen’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Woordfamilie van cureren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| cureer | gebiedende wijs | cureren |
| cureerde | verleden tijd | cureren |
| cureerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | cureren |
| cureert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | cureren |
| curere | aanvoegende wijs | cureren |
| curerend | onvoltooid deelwoord | cureren |
| curerende | woordvorm | cureren |
| gecureerd | voltooid deelwoord | cureren |
| gecureerde | woordvorm | cureren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van cureren zijn vastgelegd.