conjugeren
werkwoordBetekenis
- de vervoegde vormen van een werkwoord vormen
- uit twee ware uitspraken een derde vormen
Vervoeging van conjugeren
conjugerenhele werkwoord — conjugeerdeverleden tijd enkelvoud — conjugeerdenverleden tijd meervoud — geconjugeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | conjugeer | conjugeerde |
| jij | conjugeert | conjugeerde |
| hij, zij, het | conjugeert | conjugeerde |
| wij | conjugeren | conjugeerden |
| jullie | conjugeren | conjugeerden |
| zij | conjugeren | conjugeerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geconjugeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geconjugeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| conjugeer | gebiedende wijs |
| conjugeerde | verleden tijd |
| conjugere | aanvoegende wijs |
| conjugerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is geconjugeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geconjugeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geconjugeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geconjugeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geconjugeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geconjugeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geconjugeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geconjugeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geconjugeerd | verleden tijd, deelwoord |
| geconjugeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geconjugeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geconjugeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geconjugeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geconjugeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geconjugeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geconjugeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geconjugeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geconjugeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geconjugeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geconjugeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geconjugeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geconjugeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geconjugeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geconjugeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geconjugeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geconjugeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geconjugeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geconjugeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geconjugeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geconjugeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geconjugeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geconjugeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geconjugeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geconjugeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geconjugeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geconjugeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te conjugeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geconjugeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen conjugeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geconjugeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geconjugeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geconjugeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geconjugeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geconjugeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geconjugeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geconjugeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geconjugeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geconjugeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geconjugeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geconjugeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geconjugeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geconjugeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geconjugeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geconjugeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geconjugeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geconjugeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geconjugeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geconjugeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geconjugeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal conjugeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal conjugeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal conjugeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geconjugeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geconjugeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geconjugeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geconjugeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geconjugeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geconjugeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geconjugeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geconjugeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geconjugeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geconjugeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geconjugeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou conjugeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou conjugeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou conjugeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geconjugeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geconjugeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geconjugeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geconjugeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geconjugeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geconjugeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geconjugeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geconjugeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geconjugeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden conjugeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden conjugeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden conjugeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geconjugeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geconjugeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geconjugeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geconjugeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geconjugeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geconjugeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geconjugeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geconjugeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geconjugeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt conjugeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geconjugeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geconjugeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geconjugeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen conjugeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen conjugeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen conjugeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen conjugeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geconjugeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geconjugeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geconjugeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geconjugeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geconjugeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geconjugeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geconjugeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geconjugeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geconjugeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult conjugeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geconjugeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geconjugeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geconjugeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse conjuguer (met het voorvoegsel con- en met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van conjugeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| conjugeer | gebiedende wijs | conjugeren |
| conjugeerde | verleden tijd | conjugeren |
| conjugeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | conjugeren |
| conjugeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | conjugeren |
| conjugere | aanvoegende wijs | conjugeren |
| conjugerend | onvoltooid deelwoord | conjugeren |
| conjugerende | woordvorm | conjugeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van conjugeren zijn vastgelegd.