compareren
werkwoordBetekenis
- verschijnen (op een bepaalde plaats)
- verschijnen voor een notaris of rechter
- vergelijken
Vervoeging van compareren
comparerenhele werkwoord — compareerdeverleden tijd enkelvoud — compareerdenverleden tijd meervoud — gecompareerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | compareer | compareerde |
| jij | compareert | compareerde |
| hij, zij, het | compareert | compareerde |
| wij | compareren | compareerden |
| jullie | compareren | compareerden |
| zij | compareren | compareerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| compareer | gebiedende wijs |
| compareerde | verleden tijd |
| comparere | aanvoegende wijs |
| comparerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gecompareerd | verleden tijd, deelwoord |
| gecompareerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecompareerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gecompareerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gecompareerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gecompareerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gecompareerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gecompareerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gecompareerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gecompareerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gecompareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecompareerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gecompareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecompareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gecompareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gecompareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecompareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecompareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te compareren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gecompareerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen compareren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal compareren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal compareren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal compareren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gecompareerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecompareerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gecompareerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou compareren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou compareren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou compareren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gecompareerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecompareerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecompareerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden compareren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden compareren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden compareren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gecompareerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gecompareerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gecompareerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt compareren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gecompareerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen compareren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen compareren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen compareren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen compareren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gecompareerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gecompareerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gecompareerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult compareren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gecompareerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘voor rechter of notaris verschijnen’ voor het eerst aangetroffen in 1370.
Woordfamilie van compareren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| compareer | gebiedende wijs | compareren |
| compareerde | verleden tijd | compareren |
| compareerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | compareren |
| compareert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | compareren |
| comparere | aanvoegende wijs | compareren |
| comparerend | onvoltooid deelwoord | compareren |
| comparerende | woordvorm | compareren |
| gecompareerd | voltooid deelwoord | compareren |
| gecompareerde | woordvorm | compareren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van compareren zijn vastgelegd.