coderen
werkwoordBetekenis
- in een code brengen
- van een code voorzien
Vervoeging van coderen
coderenhele werkwoord — codeerdeverleden tijd enkelvoud — codeerdenverleden tijd meervoud — gecodeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | codeer | codeerde |
| jij | codeert | codeerde |
| hij, zij, het | codeert | codeerde |
| wij | coderen | codeerden |
| jullie | coderen | codeerden |
| zij | coderen | codeerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| codeer | gebiedende wijs |
| codeerde | verleden tijd |
| codere | aanvoegende wijs |
| coderend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gecodeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gecodeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gecodeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gecodeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gecodeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gecodeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gecodeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gecodeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gecodeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gecodeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecodeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gecodeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gecodeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gecodeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gecodeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gecodeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gecodeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gecodeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gecodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecodeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gecodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gecodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gecodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te coderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gecodeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen coderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal coderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal coderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal coderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gecodeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecodeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gecodeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou coderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou coderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou coderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gecodeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecodeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecodeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden coderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden coderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden coderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gecodeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gecodeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gecodeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt coderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gecodeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen coderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen coderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen coderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen coderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gecodeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gecodeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gecodeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult coderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gecodeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse coder (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van coderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| codeer | gebiedende wijs | coderen |
| codeerde | verleden tijd | coderen |
| codeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | coderen |
| codeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | coderen |
| codere | aanvoegende wijs | coderen |
| coderend | onvoltooid deelwoord | coderen |
| coderende | woordvorm | coderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van coderen zijn vastgelegd.