bulken
werkwoordBetekenis
- luidruchtig huilen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van bulken
bulkenhele werkwoord — bulkteverleden tijd enkelvoud — bulktenverleden tijd meervoud — gebulktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bulk | bulkte |
| jij | bulkt | bulkte |
| hij, zij, het | bulkt | bulkte |
| wij | bulken | bulkten |
| jullie | bulken | bulkten |
| zij | bulken | bulkten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bulk | gebiedende wijs |
| bulke | aanvoegende wijs |
| bulkend | onvoltooid, deelwoord |
| bulkte | verleden tijd |
| er is gebulkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebulkt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebulkt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebulkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebulkt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebulkt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebulkt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebulkt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebulkt | verleden tijd, deelwoord |
| gebulkt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebulkt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebulkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebulkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebulkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebulkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebulkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebulkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebulkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebulkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebulkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebulkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebulkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebulkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebulkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebulkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebulkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bulken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebulkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bulken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bulken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bulken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bulken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebulkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebulkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebulkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bulken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bulken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bulken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebulkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebulkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebulkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bulken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bulken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bulken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebulkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebulkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebulkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bulken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebulkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bulken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bulken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bulken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bulken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebulkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebulkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebulkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bulken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebulkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘loeien’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599
Woordfamilie van bulken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bulke | aanvoegende wijs | bulken |
| bulkend | onvoltooid deelwoord | bulken |
| bulkende | woordvorm | bulken |
| bulkt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bulken |
| bulkte | verleden tijd | bulken |
| bulkten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bulken |
| gebulkt | voltooid deelwoord | bulken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bulken zijn vastgelegd.