bulk
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- onverpakte lading (los gestort)
- het grootste deel
- bluts, deuk
- bulk (stortgoed, massagoed)
- botsing
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bulken
- gebiedende wijs van bulken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bulken
Vervoeging van bulk
bulkhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘onverpakte lading’ voor het eerst aangetroffen in 1912