Naar de inhoud

buffelen

grote hoeveelheden eten

buffelen

werkwoord

Betekenis

  1. grote hoeveelheden eten
  2. onder de voet lopen

werkwoord

  1. hard werken

Vervoeging van buffelen

buffelenhele werkwoord — buffeldeverleden tijd enkelvoud — buffeldenverleden tijd meervoud — gebuffeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik buffel buffelde
jij buffelt buffelde
hij, zij, het buffelt buffelde
wij buffelen buffelden
jullie buffelen buffelden
zij buffelen buffelden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
buffel gebiedende wijs
buffelde verleden tijd
buffele aanvoegende wijs
buffelend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
gebuffeld verleden tijd, deelwoord
gebuffeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebuffeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gebuffeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gebuffeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gebuffeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gebuffeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gebuffeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gebuffeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gebuffeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gebuffeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gebuffeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gebuffeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gebuffeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gebuffeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gebuffeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gebuffeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gebuffeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te buffelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gebuffeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen buffelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal buffelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal buffelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal buffelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gebuffeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebuffeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gebuffeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou buffelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou buffelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou buffelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gebuffeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebuffeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebuffeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden buffelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden buffelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden buffelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gebuffeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gebuffeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gebuffeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt buffelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gebuffeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen buffelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen buffelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen buffelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen buffelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gebuffeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gebuffeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gebuffeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult buffelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gebuffeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘gulzig eten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1858

Woordfamilie van buffelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
buffelde verleden tijd buffelen
buffelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon buffelen
buffele aanvoegende wijs buffelen
buffelend onvoltooid deelwoord buffelen
buffelende woordvorm buffelen
buffelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon buffelen
gebuffeld voltooid deelwoord buffelen
gebuffelde woordvorm buffelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van buffelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over buffelen

Wat betekent buffelen?
Buffelen is een werkwoord. Het woord betekent: grote hoeveelheden eten. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je buffelen?
Je vervoegt buffelen als volgt: de tegenwoordige tijd is buffel, de verleden tijd is buffelde en het voltooid deelwoord is gebuffeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord buffelen is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. U 4
  3. F 4
  4. F 4
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

buffelen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. U 2
  3. F 4
  4. F 4
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 20 zonder bonus
  10. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

buffelen in het kort

buffelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van buffelen zijn 32 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort buffelen bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

buffelen: grote hoeveelheden eten
Deel buffelen — standaardnederlands.nl