buffelen
werkwoordBetekenis
- grote hoeveelheden eten
- onder de voet lopen
werkwoord
- hard werken
Vervoeging van buffelen
buffelenhele werkwoord — buffeldeverleden tijd enkelvoud — buffeldenverleden tijd meervoud — gebuffeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | buffel | buffelde |
| jij | buffelt | buffelde |
| hij, zij, het | buffelt | buffelde |
| wij | buffelen | buffelden |
| jullie | buffelen | buffelden |
| zij | buffelen | buffelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| buffel | gebiedende wijs |
| buffelde | verleden tijd |
| buffele | aanvoegende wijs |
| buffelend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebuffeld | verleden tijd, deelwoord |
| gebuffeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebuffeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebuffeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebuffeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebuffeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebuffeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebuffeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebuffeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebuffeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebuffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebuffeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebuffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebuffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebuffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebuffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebuffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebuffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te buffelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebuffeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen buffelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal buffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal buffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal buffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebuffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebuffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebuffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou buffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou buffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou buffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebuffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebuffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebuffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden buffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden buffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden buffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebuffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebuffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebuffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt buffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebuffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen buffelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen buffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen buffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen buffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebuffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebuffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebuffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult buffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebuffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘gulzig eten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1858
Woordfamilie van buffelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| buffelde | verleden tijd | buffelen |
| buffelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | buffelen |
| buffele | aanvoegende wijs | buffelen |
| buffelend | onvoltooid deelwoord | buffelen |
| buffelende | woordvorm | buffelen |
| buffelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | buffelen |
| gebuffeld | voltooid deelwoord | buffelen |
| gebuffelde | woordvorm | buffelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van buffelen zijn vastgelegd.