buffer
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- elk van de paarsgewijs aan de kopeinden van locomotieven en wagons aangebrachte stootbalken
- medium dat in staat is tijdelijke grote vraag in de afvoer op te vangen omdat de gemiddelde aanvoer dat niet aan zou kunnen
- tijdelijk geheugen in rekenmachines, computers , randapparaten e.d
- een waterige oplossing van twee stoffen die zich in een bepaald evenwicht bevinden en een bepaalde pH aannemen, bufferoplossing
- hoeveelheid (geld)middelen dat gebruikt kan worden om onverwachte gebeurtenissen op te vangen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| buffers | meervoud |
| buffertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| buffertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bufferen
- gebiedende wijs van bufferen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bufferen
Vervoeging van buffer
bufferhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘stootkussen’ voor het eerst aangetroffen in 1875
Woordfamilie van buffer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| buffers | meervoud | buffer |
| buffertje | verkleinwoord | buffer |
| buffertjes | verkleinwoord meervoud | buffer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van buffer zijn vastgelegd.