buffel
zelfstandig naamwoord, werkwoord 'bɵfəlBetekenis
- een verzamelnaam voor een aantal zware holhoornige rundersoorten met vaak forse hoorns
- waterbuffel of karbouw
- 's en de tamaroe of mindorobuffel
- leer vervaardigd van de huid van een buffel
- iemand die groot en stevig is
Hoe spreek je buffel uit?
/ˈbɵfəl/
Buffel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɵ | put |
| f | fiets |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- verzamelnaam voor een aantal zware holhoornige rundersoorten met vaak forse hoorns
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| buffels | meervoud |
| buffeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| buffeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van buffelen
- gebiedende wijs van buffelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van buffelen
Vervoeging van buffel
buffelhele werkwoord
Herkomst
via Middelnederlands buffel van Oudfrans buffle, in de betekenis van ‘herkauwer’ aangetroffen vanaf 1287
Woordfamilie van buffel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| buffels | meervoud | buffel |
| buffeltje | verkleinwoord | buffel |
| buffeltjes | verkleinwoord meervoud | buffel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van buffel zijn vastgelegd.