brug
zelfstandig naamwoord brʏxBetekenis
- kunstmatige weg over een diepte
- een vervanging van tanden
- een verbinding tussen twee moleculen
- een turnapparaat
- een hulpmiddel in de garage om een wagen mee op te tillen
- de plaats op een schip vanwaar het bestuurd wordt
- elk van de steunplaatjes, aan één van de vlakke zijden van een horloge, voor de draaiende onderdelen
- elektrische verbinding die over gedrukte bedrading is aangebracht
- aansluitmogelijkheid tussen gelijksoortige netwerken
- een persoon die de culturele en taalkundige kloof tussen groepen overbrugt
- middenstuk van een bril
- een verbinding tussen twee punten met hulp van vliegtuigen (luchtbrug)
- een kaartspel
Hoe spreek je brug uit?
/brʏx/
Brug bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| r | rood |
| ʏ | put |
| x | acht |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- element ter vervanging van een of meer echte tanden, meestal in de vorm van meerdere kronen [4]
- elk van de steunplaatjes, aan een van de vlakke zijden van een horloge, voor de draaiende onderdelen
- iemand die de culturele en/of taalkundige kloof tussen groepen probeert te dichten figuratively, person
- middenstuk van een bril [1]
- verbinding tussen twee punten met hulp van vliegtuigen
- onderdeel aan de bovenkant van de toets, waar de snaren vanaf de toets naar de stemschroeven of stemmechanieken lopen, met als doel het handhaven van de onderlinge afstanden tussen de snaren, en de afstand tussen toets en snaren
- bevestiging van de snaren aan de klankkast
- kam, onderdeel dat de snaren met de klankkast verbindt Deze leenvertaling uit het Engels, is verwarrend omdat deze term in het Nederlands traditioneel al wordt gebruikt voor een onderdeel aan het verste uiteinde van de toets.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bruggen | meervoud |
| bruggetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bruggetjes | verkleinwoord, meervoud |
| brugje | verkleinwoord, enkelvoud |
| brugjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘verbinding over water’ voor het eerst aangetroffen in 840
Woordfamilie van brug
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bruggen | meervoud | brug |
| bruggetje | verkleinwoord | brug |
| bruggetjes | verkleinwoord meervoud | brug |
| brugje | verkleinwoord | brug |
| brugjes | verkleinwoord meervoud | brug |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van brug zijn vastgelegd.