briesen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- hard spreken of schelden, tekeergaan
- (paarden) korte, krachtige uitstoot van adem
werkwoord
- korte, krachtige uitstoot van adem unergative
Vervoeging van briesen
briesenhele werkwoord — briesteverleden tijd enkelvoud — briestenverleden tijd meervoud — gebriestvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bries | brieste |
| jij | briest | brieste |
| hij, zij, het | briest | brieste |
| wij | briesen | briesten |
| jullie | briesen | briesten |
| zij | briesen | briesten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bries | gebiedende wijs |
| briese | aanvoegende wijs |
| briesend | onvoltooid, deelwoord |
| brieste | verleden tijd |
| er is gebriest | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebriest | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebriest | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebriest | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebriest worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebriest zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebriest worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebriest zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebriest | verleden tijd, deelwoord |
| gebriest te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebriest zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebriest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebriest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebriest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebriest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebriest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebriest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebriest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebriest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebriest | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebriest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebriest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebriest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebriest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebriest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebriest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te briesen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebriest | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen briesen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal briesen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal briesen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal briesen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebriest hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebriest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebriest hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou briesen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou briesen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou briesen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebriest hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebriest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebriest hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden briesen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden briesen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden briesen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebriest hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebriest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebriest hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt briesen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebriest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen briesen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen briesen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen briesen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen briesen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebriest hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebriest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebriest hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult briesen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebriest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord bries
Herkomst
In de betekenis van ‘brullen, hoorbaar ademen van paard’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van briesen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| briese | aanvoegende wijs | briesen |
| briest | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | briesen |
| brieste | verleden tijd | briesen |
| briesten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | briesen |
| gebriest | voltooid deelwoord | briesen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van briesen zijn vastgelegd.