brandschatten
werkwoord /ˈbrɑntsxɑtə(n)/Betekenis
- in oorlogstijd de bevolking een schatting opleggen op straffe van plundering en brand
Hoe spreek je brandschatten uit?
/ˈbrɑntsxɑtən/
Brandschatten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| t | tak |
| s | sok |
| x | acht |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van brandschatten
brandschattenhele werkwoord — brandschatteverleden tijd enkelvoud — gebrandschatvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | brandschat | brandschatte |
| jij | brandschat | brandschatte |
| hij, zij, het | brandschat | brandschatte |
| wij | brandschatten | — |
| jullie | brandschatten | — |
| zij | brandschatten | — |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gebrandschat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gebrandschat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| brandschat | gebiedende wijs |
| brandschatte | verleden tijd |
| brandschatte | aanvoegende wijs |
| brandschattend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gebrandschat | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebrandschat | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebrandschat | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebrandschat | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebrandschat worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebrandschat zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebrandschat worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebrandschat zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebrandschat | verleden tijd, deelwoord |
| gebrandschat te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebrandschat te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebrandschat te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebrandschat te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebrandschat te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebrandschat worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebrandschat zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebrandschat zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebrandschat zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebrandschat zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebrandschat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebrandschat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebrandschat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebrandschat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebrandschat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebrandschat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebrandschat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebrandschat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebrandschat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebrandschat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebrandschat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebrandschat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebrandschat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebrandschat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebrandschat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gebrandschat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gebrandschat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te brandschatten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebrandschat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen brandschatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gebrandschat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebrandschat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gebrandschat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebrandschat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gebrandschat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gebrandschat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gebrandschat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gebrandschat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gebrandschat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gebrandschat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gebrandschat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gebrandschat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gebrandschat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gebrandschat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gebrandschat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gebrandschat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gebrandschat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gebrandschat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gebrandschat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gebrandschat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal brandschatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal brandschatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal brandschatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebrandschat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebrandschat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebrandschat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gebrandschat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebrandschat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gebrandschat zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebrandschat zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gebrandschat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gebrandschat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gebrandschat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gebrandschat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou brandschatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou brandschatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou brandschatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebrandschat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebrandschat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebrandschat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gebrandschat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebrandschat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gebrandschat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebrandschat zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebrandschat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebrandschat zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden brandschatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden brandschatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden brandschatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebrandschat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebrandschat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebrandschat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebrandschat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gebrandschat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gebrandschat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebrandschat zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebrandschat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebrandschat zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt brandschatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebrandschat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebrandschat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebrandschat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen brandschatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen brandschatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen brandschatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen brandschatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebrandschat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebrandschat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebrandschat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebrandschat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gebrandschat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gebrandschat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebrandschat zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebrandschat zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebrandschat zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult brandschatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebrandschat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebrandschat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebrandschat zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van brandschatten
Vervoeging van brandschatten
brandschattenhele werkwoord — brandschatteverleden tijd enkelvoud — gebrandschatvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | brandschat | brandschatte |
| jij | brandschat | brandschatte |
| hij, zij, het | brandschat | brandschatte |
| wij | brandschatten | — |
| jullie | brandschatten | — |
| zij | brandschatten | — |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gebrandschat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gebrandschat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| brandschat | gebiedende wijs |
| brandschatte | verleden tijd |
| brandschatte | aanvoegende wijs |
| brandschattend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gebrandschat | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebrandschat | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebrandschat | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebrandschat | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebrandschat worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebrandschat zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebrandschat worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebrandschat zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebrandschat | verleden tijd, deelwoord |
| gebrandschat te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebrandschat te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebrandschat te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebrandschat te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebrandschat te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebrandschat worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebrandschat zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebrandschat zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebrandschat zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebrandschat zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebrandschat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebrandschat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebrandschat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebrandschat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebrandschat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebrandschat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebrandschat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebrandschat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebrandschat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebrandschat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebrandschat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebrandschat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebrandschat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebrandschat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebrandschat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gebrandschat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gebrandschat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te brandschatten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebrandschat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen brandschatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gebrandschat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebrandschat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gebrandschat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebrandschat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gebrandschat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gebrandschat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gebrandschat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gebrandschat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gebrandschat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gebrandschat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gebrandschat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gebrandschat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gebrandschat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gebrandschat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gebrandschat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gebrandschat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gebrandschat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gebrandschat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gebrandschat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gebrandschat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal brandschatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal brandschatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal brandschatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebrandschat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebrandschat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebrandschat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gebrandschat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebrandschat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gebrandschat zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebrandschat zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gebrandschat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gebrandschat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gebrandschat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gebrandschat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou brandschatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou brandschatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou brandschatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebrandschat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebrandschat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebrandschat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gebrandschat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebrandschat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gebrandschat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebrandschat zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebrandschat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebrandschat zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden brandschatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden brandschatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden brandschatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebrandschat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebrandschat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebrandschat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebrandschat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gebrandschat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gebrandschat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebrandschat zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebrandschat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebrandschat zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt brandschatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebrandschat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebrandschat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebrandschat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen brandschatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen brandschatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen brandschatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen brandschatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebrandschat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebrandschat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebrandschat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebrandschat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gebrandschat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gebrandschat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebrandschat zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebrandschat zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebrandschat zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult brandschatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebrandschat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebrandschat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebrandschat zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘schatting opleggen op straffe van plundering’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1488
Woordfamilie van brandschatten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| brandschat | gebiedende wijs | brandschatten |
| brandschatte | verleden tijd | brandschatten |
| brandschattend | onvoltooid deelwoord | brandschatten |
| brandschattende | woordvorm | brandschatten |
| gebrandschat | voltooid deelwoord | brandschatten |
| gebrandschatte | woordvorm | brandschatten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van brandschatten zijn vastgelegd.