Naar de inhoud

brandschatten

in oorlogstijd de bevolking een schatting opleggen op straffe van plundering en brand

brandschatten

werkwoord /ˈbrɑntsxɑtə(n)/

Betekenis

  1. in oorlogstijd de bevolking een schatting opleggen op straffe van plundering en brand

Hoe spreek je brandschatten uit?

/ˈbrɑntsxɑtən/

Brandschatten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈbrɑntsxɑtən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
b bak
r rood
ɑ bad
n nek
t tak
s sok
x acht
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van brandschatten

brandschattenhele werkwoord — brandschatteverleden tijd enkelvoud — gebrandschatvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik brandschat brandschatte
jij brandschat brandschatte
hij, zij, het brandschat brandschatte
wij brandschatten —
jullie brandschatten —
zij brandschatten —
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gebrandschat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gebrandschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
brandschat gebiedende wijs
brandschatte verleden tijd
brandschatte aanvoegende wijs
brandschattend onvoltooid, deelwoord
er is gebrandschat impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gebrandschat impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gebrandschat impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gebrandschat impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gebrandschat worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gebrandschat zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gebrandschat worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gebrandschat zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gebrandschat verleden tijd, deelwoord
gebrandschat te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gebrandschat te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gebrandschat te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebrandschat te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebrandschat te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebrandschat worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gebrandschat zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gebrandschat zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gebrandschat zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gebrandschat zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gebrandschat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gebrandschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gebrandschat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gebrandschat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gebrandschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gebrandschat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gebrandschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gebrandschat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gebrandschat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gebrandschat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gebrandschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gebrandschat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gebrandschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gebrandschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gebrandschat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gebrandschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gebrandschat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te brandschatten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gebrandschat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen brandschatten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gebrandschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gebrandschat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gebrandschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gebrandschat voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gebrandschat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gebrandschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gebrandschat voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gebrandschat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gebrandschat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gebrandschat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gebrandschat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gebrandschat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gebrandschat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gebrandschat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gebrandschat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gebrandschat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gebrandschat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gebrandschat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gebrandschat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gebrandschat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal brandschatten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal brandschatten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal brandschatten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gebrandschat hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebrandschat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gebrandschat hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gebrandschat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebrandschat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gebrandschat zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebrandschat zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn gebrandschat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gebrandschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gebrandschat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gebrandschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou brandschatten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou brandschatten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou brandschatten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gebrandschat hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebrandschat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebrandschat hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gebrandschat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebrandschat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gebrandschat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebrandschat zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebrandschat zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebrandschat zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden brandschatten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden brandschatten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden brandschatten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gebrandschat hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gebrandschat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gebrandschat hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gebrandschat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gebrandschat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gebrandschat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gebrandschat zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gebrandschat zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gebrandschat zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt brandschatten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gebrandschat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gebrandschat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gebrandschat zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen brandschatten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen brandschatten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen brandschatten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen brandschatten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gebrandschat hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gebrandschat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gebrandschat hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gebrandschat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gebrandschat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gebrandschat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gebrandschat zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gebrandschat zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gebrandschat zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult brandschatten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gebrandschat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gebrandschat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gebrandschat zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van brandschatten

Vervoeging van brandschatten

brandschattenhele werkwoord — brandschatteverleden tijd enkelvoud — gebrandschatvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik brandschat brandschatte
jij brandschat brandschatte
hij, zij, het brandschat brandschatte
wij brandschatten —
jullie brandschatten —
zij brandschatten —
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gebrandschat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gebrandschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
brandschat gebiedende wijs
brandschatte verleden tijd
brandschatte aanvoegende wijs
brandschattend onvoltooid, deelwoord
er is gebrandschat impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gebrandschat impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gebrandschat impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gebrandschat impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gebrandschat worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gebrandschat zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gebrandschat worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gebrandschat zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gebrandschat verleden tijd, deelwoord
gebrandschat te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gebrandschat te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gebrandschat te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebrandschat te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebrandschat te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebrandschat worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gebrandschat zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gebrandschat zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gebrandschat zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gebrandschat zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gebrandschat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gebrandschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gebrandschat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gebrandschat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gebrandschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gebrandschat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gebrandschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gebrandschat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gebrandschat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gebrandschat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gebrandschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gebrandschat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gebrandschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gebrandschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gebrandschat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gebrandschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gebrandschat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te brandschatten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gebrandschat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen brandschatten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gebrandschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gebrandschat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gebrandschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gebrandschat voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gebrandschat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gebrandschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gebrandschat voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gebrandschat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gebrandschat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gebrandschat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gebrandschat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gebrandschat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gebrandschat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gebrandschat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gebrandschat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gebrandschat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gebrandschat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gebrandschat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gebrandschat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gebrandschat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal brandschatten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal brandschatten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal brandschatten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gebrandschat hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebrandschat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gebrandschat hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gebrandschat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebrandschat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gebrandschat zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebrandschat zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn gebrandschat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gebrandschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gebrandschat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gebrandschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou brandschatten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou brandschatten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou brandschatten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gebrandschat hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebrandschat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebrandschat hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gebrandschat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebrandschat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gebrandschat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebrandschat zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebrandschat zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebrandschat zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden brandschatten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden brandschatten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden brandschatten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gebrandschat hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gebrandschat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gebrandschat hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gebrandschat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gebrandschat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gebrandschat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gebrandschat zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gebrandschat zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gebrandschat zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt brandschatten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gebrandschat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gebrandschat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gebrandschat zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen brandschatten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen brandschatten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen brandschatten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen brandschatten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gebrandschat hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gebrandschat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gebrandschat hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gebrandschat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gebrandschat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gebrandschat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gebrandschat zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gebrandschat zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gebrandschat zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult brandschatten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gebrandschat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gebrandschat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gebrandschat zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘schatting opleggen op straffe van plundering’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1488

Woordfamilie van brandschatten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
brandschat gebiedende wijs brandschatten
brandschatte verleden tijd brandschatten
brandschattend onvoltooid deelwoord brandschatten
brandschattende woordvorm brandschatten
gebrandschat voltooid deelwoord brandschatten
gebrandschatte woordvorm brandschatten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van brandschatten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over brandschatten

Hoe spreek je brandschatten uit?
De uitspraak van brandschatten is: /ˈbrɑntsxɑtə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent brandschatten?
Brandschatten is een werkwoord. Het woord betekent: in oorlogstijd de bevolking een schatting opleggen op straffe van plundering en brand.
Hoe vervoeg je brandschatten?
Je vervoegt brandschatten als volgt: de tegenwoordige tijd is brandschat, de verleden tijd is brandschatte en het voltooid deelwoord is gebrandschat. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord brandschatten is 27 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. R 2
  3. A 1
  4. N 1
  5. D 2
  6. S 2
  7. C 5
  8. H 4
  9. A 1
  10. T 2
  11. T 2
  12. E 1
  13. N 1
  14. 27 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

brandschatten levert met Wordfeud minimaal 28 en maximaal 114 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. R 2
  3. A 1
  4. N 1
  5. D 2
  6. S 2
  7. C 5
  8. H 4
  9. A 1
  10. T 2
  11. T 2
  12. E 1
  13. N 1
  14. 28 zonder bonus
  15. 114 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

brandschatten in het kort

brandschatten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van brandschatten zijn 72 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort brandschatten bij een woordfamilie van 6 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

brandschatten: in oorlogstijd de bevolking een schatting opleggen op straffe van plundering en brand
Deel brandschatten — standaardnederlands.nl