Naar de inhoud

brandschilderen

methode om met een sterk verhitte staaf figuren aan te brengen op hout of andere stoffen

brandschilderen

werkwoord /ˈbrɑnt.sxɪl.də.rə(n)/

Betekenis

  1. methode om met een sterk verhitte staaf figuren aan te brengen op hout of andere stoffen
  2. methode om op glas te schilderen met door verhitting gefixeerde kleuren

Hoe spreek je brandschilderen uit?

/ˈbrɑntsxɪldərən/

Brandschilderen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈbrɑntsxɪldərən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
b bak
r rood
ɑ bad
n nek
t tak
s sok
x acht
ɪ pit
l land
d dak
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. : methode om met een sterk verhitte staaf figuren aan te brengen op hout of andere stoffen transitive
  2. : methode om op glas te schilderen met door verhitting gefixeerde kleuren transitive

Vervoeging van brandschilderen

brandschilderenhele werkwoord — brandschilderdeverleden tijd enkelvoud — brandschilderdenverleden tijd meervoud — gebrandschilderdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik brandschilder brandschilderde
jij brandschildert brandschilderde
hij, zij, het brandschildert brandschilderde
wij brandschilderen brandschilderden
jullie brandschilderen brandschilderden
zij brandschilderen brandschilderden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gebrandschilderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gebrandschilderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
brandschilder gebiedende wijs
brandschilderde verleden tijd
brandschildere aanvoegende wijs
brandschilderend onvoltooid, deelwoord
er is gebrandschilderd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gebrandschilderd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gebrandschilderd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gebrandschilderd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gebrandschilderd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gebrandschilderd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gebrandschilderd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gebrandschilderd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gebrandschilderd verleden tijd, deelwoord
gebrandschilderd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gebrandschilderd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gebrandschilderd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebrandschilderd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebrandschilderd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebrandschilderd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gebrandschilderd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gebrandschilderd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gebrandschilderd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gebrandschilderd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gebrandschilderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gebrandschilderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gebrandschilderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gebrandschilderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gebrandschilderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gebrandschilderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gebrandschilderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gebrandschilderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gebrandschilderd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gebrandschilderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gebrandschilderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gebrandschilderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gebrandschilderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gebrandschilderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gebrandschilderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gebrandschilderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gebrandschilderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te brandschilderen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gebrandschilderd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen brandschilderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gebrandschilderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gebrandschilderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gebrandschilderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gebrandschilderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gebrandschilderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gebrandschilderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gebrandschilderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gebrandschilderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gebrandschilderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gebrandschilderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gebrandschilderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gebrandschilderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gebrandschilderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gebrandschilderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gebrandschilderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gebrandschilderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gebrandschilderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gebrandschilderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gebrandschilderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gebrandschilderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal brandschilderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal brandschilderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal brandschilderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gebrandschilderd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebrandschilderd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gebrandschilderd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gebrandschilderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebrandschilderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gebrandschilderd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebrandschilderd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn gebrandschilderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gebrandschilderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gebrandschilderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gebrandschilderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou brandschilderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou brandschilderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou brandschilderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gebrandschilderd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebrandschilderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebrandschilderd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gebrandschilderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebrandschilderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gebrandschilderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebrandschilderd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebrandschilderd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebrandschilderd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden brandschilderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden brandschilderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden brandschilderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gebrandschilderd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gebrandschilderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gebrandschilderd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gebrandschilderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gebrandschilderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gebrandschilderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gebrandschilderd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gebrandschilderd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gebrandschilderd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt brandschilderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gebrandschilderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gebrandschilderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gebrandschilderd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen brandschilderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen brandschilderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen brandschilderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen brandschilderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gebrandschilderd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gebrandschilderd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gebrandschilderd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gebrandschilderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gebrandschilderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gebrandschilderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gebrandschilderd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gebrandschilderd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gebrandschilderd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult brandschilderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gebrandschilderd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gebrandschilderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gebrandschilderd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van brand en schilderen

Woordfamilie van brandschilderen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
brandschilder gebiedende wijs brandschilderen
brandschilderde verleden tijd brandschilderen
brandschilderden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon brandschilderen
brandschildere aanvoegende wijs brandschilderen
brandschilderend onvoltooid deelwoord brandschilderen
brandschilderende woordvorm brandschilderen
brandschildert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon brandschilderen
gebrandschilderd voltooid deelwoord brandschilderen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van brandschilderen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over brandschilderen

Hoe spreek je brandschilderen uit?
De uitspraak van brandschilderen is: /ˈbrɑnt.sxɪl.də.rə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent brandschilderen?
Brandschilderen is een werkwoord. Het woord betekent: methode om met een sterk verhitte staaf figuren aan te brengen op hout of andere stoffen. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je brandschilderen?
Je vervoegt brandschilderen als volgt: de tegenwoordige tijd is brandschilder, de verleden tijd is brandschilderde en het voltooid deelwoord is gebrandschilderd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord brandschilderen is 31 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. R 2
  3. A 1
  4. N 1
  5. D 2
  6. S 2
  7. C 5
  8. H 4
  9. I 1
  10. L 3
  11. D 2
  12. E 1
  13. R 2
  14. E 1
  15. N 1
  16. 31 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

brandschilderen levert met Wordfeud minimaal 33 en maximaal 129 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. R 2
  3. A 1
  4. N 1
  5. D 2
  6. S 2
  7. C 5
  8. H 4
  9. I 2
  10. L 3
  11. D 2
  12. E 1
  13. R 2
  14. E 1
  15. N 1
  16. 33 zonder bonus
  17. 129 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

brandschilderen in het kort

brandschilderen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van brandschilderen zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort brandschilderen bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

brandschilderen: methode om met een sterk verhitte staaf figuren aan te brengen op hout of andere stoffen
Deel brandschilderen — standaardnederlands.nl