brandmerken
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- (vee) merken door het inbranden van een teken
- stigmatiseren
werkwoord
- merken door het inbranden van een teken transitive
- stigmatiseren, in de openbaarheid iemand beschuldigen en veroordelen transitive
Vervoeging van brandmerken
brandmerkenhele werkwoord — brandmerkteverleden tijd enkelvoud — brandmerktenverleden tijd meervoud — gebrandmerktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | brandmerk | brandmerkte |
| jij | brandmerkt | brandmerkte |
| hij, zij, het | brandmerkt | brandmerkte |
| wij | brandmerken | brandmerkten |
| jullie | brandmerken | brandmerkten |
| zij | brandmerken | brandmerkten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gebrandmerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gebrandmerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| brandmerk | gebiedende wijs |
| brandmerke | aanvoegende wijs |
| brandmerkend | onvoltooid, deelwoord |
| brandmerkte | verleden tijd |
| er is gebrandmerkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebrandmerkt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebrandmerkt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebrandmerkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebrandmerkt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebrandmerkt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebrandmerkt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebrandmerkt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebrandmerkt | verleden tijd, deelwoord |
| gebrandmerkt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebrandmerkt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebrandmerkt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebrandmerkt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebrandmerkt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebrandmerkt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebrandmerkt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebrandmerkt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebrandmerkt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebrandmerkt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebrandmerkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebrandmerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebrandmerkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebrandmerkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebrandmerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebrandmerkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebrandmerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebrandmerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebrandmerkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebrandmerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebrandmerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebrandmerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebrandmerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebrandmerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebrandmerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gebrandmerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gebrandmerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te brandmerken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebrandmerkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen brandmerken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gebrandmerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebrandmerkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gebrandmerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebrandmerkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gebrandmerkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gebrandmerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gebrandmerkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gebrandmerkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gebrandmerkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gebrandmerkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gebrandmerkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gebrandmerkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gebrandmerkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gebrandmerkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gebrandmerkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gebrandmerkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gebrandmerkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gebrandmerkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gebrandmerkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gebrandmerkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal brandmerken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal brandmerken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal brandmerken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebrandmerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebrandmerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebrandmerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gebrandmerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebrandmerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gebrandmerkt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebrandmerkt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gebrandmerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gebrandmerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gebrandmerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gebrandmerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou brandmerken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou brandmerken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou brandmerken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebrandmerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebrandmerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebrandmerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gebrandmerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebrandmerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gebrandmerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebrandmerkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebrandmerkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebrandmerkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden brandmerken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden brandmerken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden brandmerken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebrandmerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebrandmerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebrandmerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebrandmerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gebrandmerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gebrandmerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebrandmerkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebrandmerkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebrandmerkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt brandmerken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebrandmerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebrandmerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebrandmerkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen brandmerken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen brandmerken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen brandmerken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen brandmerken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebrandmerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebrandmerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebrandmerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebrandmerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gebrandmerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gebrandmerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebrandmerkt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebrandmerkt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebrandmerkt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult brandmerken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebrandmerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebrandmerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebrandmerkt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord brandmerk
Herkomst
samenstelling van brand en merken
Woordfamilie van brandmerken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| brandmerke | aanvoegende wijs | brandmerken |
| brandmerkend | onvoltooid deelwoord | brandmerken |
| brandmerkende | woordvorm | brandmerken |
| brandmerkt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | brandmerken |
| brandmerkte | verleden tijd | brandmerken |
| brandmerkten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | brandmerken |
| gebrandmerkt | voltooid deelwoord | brandmerken |
| gebrandmerkte | woordvorm | brandmerken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van brandmerken zijn vastgelegd.