Naar de inhoud

brandmerken

(vee) merken door het inbranden van een teken

brandmerken is meer dan één woord

brandmerken

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. (vee) merken door het inbranden van een teken
  2. stigmatiseren

werkwoord

  1. merken door het inbranden van een teken transitive
  2. stigmatiseren, in de openbaarheid iemand beschuldigen en veroordelen transitive

Vervoeging van brandmerken

brandmerkenhele werkwoord — brandmerkteverleden tijd enkelvoud — brandmerktenverleden tijd meervoud — gebrandmerktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik brandmerk brandmerkte
jij brandmerkt brandmerkte
hij, zij, het brandmerkt brandmerkte
wij brandmerken brandmerkten
jullie brandmerken brandmerkten
zij brandmerken brandmerkten
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gebrandmerkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gebrandmerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
brandmerk gebiedende wijs
brandmerke aanvoegende wijs
brandmerkend onvoltooid, deelwoord
brandmerkte verleden tijd
er is gebrandmerkt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gebrandmerkt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gebrandmerkt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gebrandmerkt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gebrandmerkt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gebrandmerkt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gebrandmerkt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gebrandmerkt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gebrandmerkt verleden tijd, deelwoord
gebrandmerkt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gebrandmerkt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gebrandmerkt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebrandmerkt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebrandmerkt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebrandmerkt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gebrandmerkt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gebrandmerkt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gebrandmerkt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gebrandmerkt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gebrandmerkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gebrandmerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gebrandmerkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gebrandmerkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gebrandmerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gebrandmerkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gebrandmerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gebrandmerkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gebrandmerkt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gebrandmerkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gebrandmerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gebrandmerkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gebrandmerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gebrandmerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gebrandmerkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gebrandmerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gebrandmerkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te brandmerken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gebrandmerkt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen brandmerken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gebrandmerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gebrandmerkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gebrandmerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gebrandmerkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gebrandmerkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gebrandmerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gebrandmerkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gebrandmerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gebrandmerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gebrandmerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gebrandmerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gebrandmerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gebrandmerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gebrandmerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gebrandmerkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gebrandmerkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gebrandmerkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gebrandmerkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gebrandmerkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gebrandmerkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal brandmerken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal brandmerken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal brandmerken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gebrandmerkt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebrandmerkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gebrandmerkt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gebrandmerkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebrandmerkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gebrandmerkt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebrandmerkt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn gebrandmerkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gebrandmerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gebrandmerkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gebrandmerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou brandmerken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou brandmerken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou brandmerken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gebrandmerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebrandmerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebrandmerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gebrandmerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebrandmerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gebrandmerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebrandmerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebrandmerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebrandmerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden brandmerken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden brandmerken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden brandmerken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gebrandmerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gebrandmerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gebrandmerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gebrandmerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gebrandmerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gebrandmerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gebrandmerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gebrandmerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gebrandmerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt brandmerken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gebrandmerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gebrandmerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gebrandmerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen brandmerken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen brandmerken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen brandmerken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen brandmerken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gebrandmerkt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gebrandmerkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gebrandmerkt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gebrandmerkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gebrandmerkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gebrandmerkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gebrandmerkt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gebrandmerkt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gebrandmerkt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult brandmerken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gebrandmerkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gebrandmerkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gebrandmerkt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord brandmerk

Herkomst

samenstelling van brand en merken

Woordfamilie van brandmerken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
brandmerke aanvoegende wijs brandmerken
brandmerkend onvoltooid deelwoord brandmerken
brandmerkende woordvorm brandmerken
brandmerkt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon brandmerken
brandmerkte verleden tijd brandmerken
brandmerkten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon brandmerken
gebrandmerkt voltooid deelwoord brandmerken
gebrandmerkte woordvorm brandmerken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van brandmerken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over brandmerken

Wat is de betekenis van brandmerken?
Brandmerken is een werkwoord. De betekenis is: (vee) merken door het inbranden van een teken. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik brandmerken?
Zo vervoeg je brandmerken zo: de tegenwoordige tijd is brandmerk, de verleden tijd is brandmerkte en het voltooid deelwoord is gebrandmerkt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord brandmerken is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. R 2
  3. A 1
  4. N 1
  5. D 2
  6. M 3
  7. E 1
  8. R 2
  9. K 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

brandmerken levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. R 2
  3. A 1
  4. N 1
  5. D 2
  6. M 3
  7. E 1
  8. R 2
  9. K 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 21 zonder bonus
  13. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

brandmerken in het kort

brandmerken is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van brandmerken staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort brandmerken bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

brandmerken: (vee) merken door het inbranden van een teken
Deel brandmerken — standaardnederlands.nl