dwarsbomen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈdwɑrzbomə(n)/Betekenis
- tegenwerken, moeilijkheden geven
Hoe spreek je dwarsbomen uit?
/ˈdwɑrzbomən/
Dwarsbomen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| w | quiz |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| z | zon |
| b | bak |
| o | boot |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van dwarsbomen
dwarsbomenhele werkwoord — dwarsboomdeverleden tijd enkelvoud — dwarsboomdenverleden tijd meervoud — gedwarsboomdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dwarsboom | dwarsboomde |
| jij | dwarsboomt | dwarsboomde |
| hij, zij, het | dwarsboomt | dwarsboomde |
| wij | dwarsbomen | dwarsboomden |
| jullie | dwarsbomen | dwarsboomden |
| zij | dwarsbomen | dwarsboomden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gedwarsboomd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gedwarsboomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| dwarsbome | aanvoegende wijs |
| dwarsbomend | onvoltooid, deelwoord |
| dwarsboom | gebiedende wijs |
| dwarsboomde | verleden tijd |
| er is gedwarsboomd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedwarsboomd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedwarsboomd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedwarsboomd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedwarsboomd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedwarsboomd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedwarsboomd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedwarsboomd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedwarsboomd | verleden tijd, deelwoord |
| gedwarsboomd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedwarsboomd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedwarsboomd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedwarsboomd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedwarsboomd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedwarsboomd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedwarsboomd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedwarsboomd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedwarsboomd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedwarsboomd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedwarsboomd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedwarsboomd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedwarsboomd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedwarsboomd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedwarsboomd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedwarsboomd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedwarsboomd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedwarsboomd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedwarsboomd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedwarsboomd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedwarsboomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedwarsboomd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedwarsboomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedwarsboomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedwarsboomd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gedwarsboomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gedwarsboomd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te dwarsbomen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedwarsboomd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dwarsbomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gedwarsboomd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedwarsboomd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gedwarsboomd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedwarsboomd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gedwarsboomd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gedwarsboomd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gedwarsboomd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gedwarsboomd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gedwarsboomd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gedwarsboomd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gedwarsboomd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gedwarsboomd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gedwarsboomd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gedwarsboomd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gedwarsboomd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gedwarsboomd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gedwarsboomd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gedwarsboomd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gedwarsboomd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gedwarsboomd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal dwarsbomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dwarsbomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dwarsbomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedwarsboomd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedwarsboomd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedwarsboomd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gedwarsboomd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedwarsboomd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gedwarsboomd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedwarsboomd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gedwarsboomd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gedwarsboomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gedwarsboomd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gedwarsboomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou dwarsbomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dwarsbomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dwarsbomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedwarsboomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedwarsboomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedwarsboomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gedwarsboomd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedwarsboomd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gedwarsboomd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedwarsboomd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedwarsboomd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedwarsboomd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dwarsbomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dwarsbomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dwarsbomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedwarsboomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedwarsboomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedwarsboomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedwarsboomd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gedwarsboomd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gedwarsboomd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedwarsboomd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedwarsboomd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedwarsboomd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt dwarsbomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedwarsboomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedwarsboomd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedwarsboomd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen dwarsbomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dwarsbomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dwarsbomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dwarsbomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedwarsboomd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedwarsboomd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedwarsboomd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedwarsboomd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gedwarsboomd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gedwarsboomd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedwarsboomd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedwarsboomd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedwarsboomd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult dwarsbomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedwarsboomd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedwarsboomd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedwarsboomd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord dwarsboom
Herkomst
In de betekenis van ‘moeilijkheden in de weg leggen’ voor het eerst aangetroffen in 1872
Woordfamilie van dwarsbomen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dwarsbome | aanvoegende wijs | dwarsbomen |
| dwarsbomend | onvoltooid deelwoord | dwarsbomen |
| dwarsbomende | woordvorm | dwarsbomen |
| dwarsboomde | verleden tijd | dwarsbomen |
| dwarsboomden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dwarsbomen |
| dwarsboomt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dwarsbomen |
| gedwarsboomd | voltooid deelwoord | dwarsbomen |
| gedwarsboomde | woordvorm | dwarsbomen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dwarsbomen zijn vastgelegd.