boete
zelfstandig naamwoord, werkwoord 'butəBetekenis
- een bedrag dat je moet betalen als je een overtreding hebt begaan
- straf voor (vermeend?) bedreven kwaad
Hoe spreek je boete uit?
/ˈbutə/
Boete bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| u | boek |
| t | tak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een (zelfopgelegde) straf die volgt op een moreel verwerpelijke daad
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| boeten, boetes | meervoud |
| boetetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| boetetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- aanvoegende wijs van boeten
Vervoeging van boete
boetehele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘(geld)straf’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1254
Woordfamilie van boete
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| boetes | meervoud | boete |
| boetetje | verkleinwoord | boete |
| boetetjes | verkleinwoord meervoud | boete |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van boete zijn vastgelegd.