Naar de inhoud

blinddoeken

iemand de ogen afdekken om het zien te verhinderen

blinddoeken is meer dan één woord

blinddoeken

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. iemand de ogen afdekken om het zien te verhinderen

Vervoeging van blinddoeken

blinddoekenhele werkwoord — blinddoekteverleden tijd enkelvoud — blinddoektenverleden tijd meervoud — geblinddoektvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik blinddoek blinddoekte
jij blinddoekt blinddoekte
hij, zij, het blinddoekt blinddoekte
wij blinddoeken blinddoekten
jullie blinddoeken blinddoekten
zij blinddoeken blinddoekten
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geblinddoekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geblinddoekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
blinddoek gebiedende wijs
blinddoeke aanvoegende wijs
blinddoekend onvoltooid, deelwoord
blinddoekte verleden tijd
er is geblinddoekt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geblinddoekt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geblinddoekt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geblinddoekt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geblinddoekt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geblinddoekt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geblinddoekt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geblinddoekt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geblinddoekt verleden tijd, deelwoord
geblinddoekt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geblinddoekt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geblinddoekt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geblinddoekt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geblinddoekt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geblinddoekt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geblinddoekt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geblinddoekt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geblinddoekt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geblinddoekt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geblinddoekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geblinddoekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geblinddoekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geblinddoekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geblinddoekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geblinddoekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geblinddoekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geblinddoekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geblinddoekt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geblinddoekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geblinddoekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geblinddoekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geblinddoekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geblinddoekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geblinddoekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geblinddoekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geblinddoekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te blinddoeken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geblinddoekt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen blinddoeken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geblinddoekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geblinddoekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geblinddoekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geblinddoekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geblinddoekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geblinddoekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geblinddoekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geblinddoekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geblinddoekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geblinddoekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geblinddoekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geblinddoekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geblinddoekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geblinddoekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geblinddoekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geblinddoekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geblinddoekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geblinddoekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geblinddoekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geblinddoekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal blinddoeken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal blinddoeken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal blinddoeken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geblinddoekt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geblinddoekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geblinddoekt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geblinddoekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geblinddoekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geblinddoekt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geblinddoekt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn geblinddoekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geblinddoekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geblinddoekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geblinddoekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou blinddoeken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou blinddoeken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou blinddoeken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geblinddoekt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geblinddoekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geblinddoekt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geblinddoekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geblinddoekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geblinddoekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geblinddoekt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geblinddoekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geblinddoekt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden blinddoeken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden blinddoeken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden blinddoeken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geblinddoekt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geblinddoekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geblinddoekt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geblinddoekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geblinddoekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geblinddoekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geblinddoekt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geblinddoekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geblinddoekt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt blinddoeken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geblinddoekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geblinddoekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geblinddoekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen blinddoeken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen blinddoeken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen blinddoeken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen blinddoeken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen geblinddoekt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geblinddoekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geblinddoekt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geblinddoekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geblinddoekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geblinddoekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geblinddoekt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geblinddoekt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geblinddoekt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult blinddoeken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult geblinddoekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geblinddoekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geblinddoekt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord blinddoek

Herkomst

afgeleid van blinddoek met het achtervoegsel -en

Woordfamilie van blinddoeken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
blinddoeke aanvoegende wijs blinddoeken
blinddoekend onvoltooid deelwoord blinddoeken
blinddoekende woordvorm blinddoeken
blinddoekt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon blinddoeken
blinddoekte verleden tijd blinddoeken
blinddoekten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon blinddoeken
geblinddoekt voltooid deelwoord blinddoeken
geblinddoekte woordvorm blinddoeken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van blinddoeken zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over blinddoeken

Wat betekent blinddoeken?
Blinddoeken is een werkwoord. Het woord betekent: iemand de ogen afdekken om het zien te verhinderen.
Hoe vervoeg je blinddoeken?
Je vervoegt blinddoeken als volgt: de tegenwoordige tijd is blinddoek, de verleden tijd is blinddoekte en het voltooid deelwoord is geblinddoekt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord blinddoeken is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. L 3
  3. I 1
  4. N 1
  5. D 2
  6. D 2
  7. O 1
  8. E 1
  9. K 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

blinddoeken levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. L 3
  3. I 2
  4. N 1
  5. D 2
  6. D 2
  7. O 1
  8. E 1
  9. K 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 21 zonder bonus
  13. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

blinddoeken in het kort

blinddoeken is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Van blinddoeken zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort blinddoeken bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

blinddoeken: iemand de ogen afdekken om het zien te verhinderen
Deel blinddoeken — standaardnederlands.nl