Naar de inhoud

blesseren

lichamelijk letsel toebrengen

blesseren

werkwoord

Betekenis

  1. lichamelijk letsel toebrengen
  2. lichamelijk letsel oplopen
  3. Lijdende vormen met worden zijn zeldzaam; meestal wordt gekozen voor een ergatieve constructie met raken
  4. tweede betekenisomschrijving
  5. enz.

Vervoeging van blesseren

blesserenhele werkwoord — blesseerdeverleden tijd enkelvoud — blesseerdenverleden tijd meervoud — geblesseerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik blesseer blesseerde
jij blesseert blesseerde
hij, zij, het blesseert blesseerde
wij blesseren blesseerden
jullie blesseren blesseerden
zij blesseren blesseerden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geblesseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geblesseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
blesseer gebiedende wijs
blesseer me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
blesseer u/je , blesseert je gebiedende wijs
blesseerde verleden tijd
blesseerde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
blesseerde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
blesseerde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
blesseerde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
blesseerde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
blesseerde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
blesseerde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
blesseerden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
blesseerden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
blesseerden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
blesseert je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
blesseert u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
blesseert u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
blesseert zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
blesseert zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
blesseert zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
blessere aanvoegende wijs
blessere zich aanvoegende wijs
blesseren je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
blesseren ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
blesseren zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
blesserend onvoltooid, deelwoord
er is geblesseerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geblesseerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geblesseerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geblesseerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geblesseerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geblesseerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geblesseerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geblesseerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geblesseerd verleden tijd, deelwoord
geblesseerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geblesseerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geblesseerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geblesseerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geblesseerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geblesseerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geblesseerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geblesseerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geblesseerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geblesseerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geblesseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geblesseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geblesseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geblesseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geblesseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geblesseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geblesseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geblesseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geblesseerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geblesseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geblesseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geblesseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geblesseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geblesseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geblesseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geblesseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geblesseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te blesseren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geblesseerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen blesseren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geblesseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geblesseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geblesseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geblesseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geblesseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geblesseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geblesseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geblesseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geblesseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geblesseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geblesseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geblesseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geblesseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geblesseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geblesseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geblesseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geblesseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geblesseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geblesseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geblesseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal blesseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal blesseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal blesseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geblesseerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geblesseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geblesseerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geblesseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geblesseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geblesseerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geblesseerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me blesseren eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich blesseren derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je blesseren tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich blesserend onvoltooid, deelwoord
zich geblesseerd hebben verleden tijd
zijn geblesseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geblesseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geblesseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geblesseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou blesseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou blesseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou blesseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geblesseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geblesseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geblesseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geblesseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geblesseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geblesseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geblesseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geblesseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geblesseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden blesseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden blesseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden blesseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geblesseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geblesseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geblesseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geblesseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geblesseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geblesseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geblesseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geblesseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geblesseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt blesseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geblesseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geblesseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geblesseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen blesseren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen blesseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen blesseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen blesseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon

Herkomst

Van het Franse blesser met het achtervoegsel -eren

Woordfamilie van blesseren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
blesseer gebiedende wijs blesseren
blesseerde verleden tijd blesseren
blesseerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon blesseren
blesseert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon blesseren
blessere aanvoegende wijs blesseren
blesserend onvoltooid deelwoord blesseren
blesserende woordvorm blesseren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van blesseren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over blesseren

Wat betekent blesseren?
Blesseren is een werkwoord. Het woord betekent: lichamelijk letsel toebrengen. Deze pagina beschrijft 5 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je blesseren?
Je vervoegt blesseren als volgt: de tegenwoordige tijd is blesseer, de verleden tijd is blesseerde en het voltooid deelwoord is geblesseerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord blesseren is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. L 3
  3. E 1
  4. S 2
  5. S 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

blesseren levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. L 3
  3. E 1
  4. S 2
  5. S 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

blesseren in het kort

blesseren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 5 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van blesseren zijn 103 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort blesseren bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

blesseren: lichamelijk letsel toebrengen
Deel blesseren — standaardnederlands.nl