blesseren
werkwoordBetekenis
- lichamelijk letsel toebrengen
- lichamelijk letsel oplopen
- Lijdende vormen met worden zijn zeldzaam; meestal wordt gekozen voor een ergatieve constructie met raken
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van blesseren
blesserenhele werkwoord — blesseerdeverleden tijd enkelvoud — blesseerdenverleden tijd meervoud — geblesseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | blesseer | blesseerde |
| jij | blesseert | blesseerde |
| hij, zij, het | blesseert | blesseerde |
| wij | blesseren | blesseerden |
| jullie | blesseren | blesseerden |
| zij | blesseren | blesseerden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geblesseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geblesseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| blesseer | gebiedende wijs |
| blesseer me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| blesseer u/je , blesseert je | gebiedende wijs |
| blesseerde | verleden tijd |
| blesseerde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| blesseerde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| blesseerde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| blesseerde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| blesseerde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| blesseerde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| blesseerde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| blesseerden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| blesseerden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| blesseerden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| blesseert je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| blesseert u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| blesseert u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| blesseert zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| blesseert zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| blesseert zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| blessere | aanvoegende wijs |
| blessere zich | aanvoegende wijs |
| blesseren je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| blesseren ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| blesseren zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| blesserend | onvoltooid, deelwoord |
| er is geblesseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geblesseerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geblesseerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geblesseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geblesseerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geblesseerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geblesseerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geblesseerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geblesseerd | verleden tijd, deelwoord |
| geblesseerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geblesseerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geblesseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geblesseerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geblesseerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geblesseerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geblesseerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geblesseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geblesseerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geblesseerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geblesseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geblesseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geblesseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geblesseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geblesseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geblesseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geblesseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geblesseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geblesseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geblesseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geblesseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geblesseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geblesseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geblesseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geblesseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geblesseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geblesseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te blesseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geblesseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen blesseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geblesseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geblesseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geblesseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geblesseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geblesseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geblesseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geblesseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geblesseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geblesseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geblesseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geblesseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geblesseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geblesseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geblesseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geblesseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geblesseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geblesseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geblesseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geblesseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geblesseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal blesseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal blesseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal blesseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geblesseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geblesseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geblesseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geblesseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geblesseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geblesseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geblesseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me blesseren | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich blesseren | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je blesseren | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich blesserend | onvoltooid, deelwoord |
| zich geblesseerd hebben | verleden tijd |
| zijn geblesseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geblesseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geblesseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geblesseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou blesseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou blesseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou blesseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geblesseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geblesseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geblesseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geblesseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geblesseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geblesseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geblesseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geblesseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geblesseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden blesseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden blesseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden blesseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geblesseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geblesseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geblesseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geblesseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geblesseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geblesseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geblesseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geblesseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geblesseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt blesseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geblesseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geblesseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geblesseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen blesseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen blesseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen blesseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen blesseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
Herkomst
Van het Franse blesser met het achtervoegsel -eren
Woordfamilie van blesseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| blesseer | gebiedende wijs | blesseren |
| blesseerde | verleden tijd | blesseren |
| blesseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | blesseren |
| blesseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | blesseren |
| blessere | aanvoegende wijs | blesseren |
| blesserend | onvoltooid deelwoord | blesseren |
| blesserende | woordvorm | blesseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van blesseren zijn vastgelegd.