blameren
werkwoordBetekenis
- te schande maken, onteren
- in kwaden naam brengen
Vervoeging van blameren
blamerenhele werkwoord — blameerdeverleden tijd enkelvoud — blameerdenverleden tijd meervoud — geblameerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | blameer | blameerde |
| jij | blameert | blameerde |
| hij, zij, het | blameert | blameerde |
| wij | blameren | blameerden |
| jullie | blameren | blameerden |
| zij | blameren | blameerden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geblameerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geblameerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| blameer | gebiedende wijs |
| blameer me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| blameer u/je , blameert je | gebiedende wijs |
| blameerde | verleden tijd |
| blameerde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| blameerde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| blameerde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| blameerde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| blameerde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| blameerde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| blameerde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| blameerden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| blameerden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| blameerden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| blameert je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| blameert u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| blameert u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| blameert zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| blameert zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| blameert zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| blamere | aanvoegende wijs |
| blamere zich | aanvoegende wijs |
| blameren je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| blameren ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| blameren zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| blamerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is geblameerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geblameerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geblameerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geblameerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geblameerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geblameerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geblameerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geblameerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geblameerd | verleden tijd, deelwoord |
| geblameerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geblameerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geblameerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geblameerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geblameerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geblameerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geblameerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geblameerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geblameerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geblameerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geblameerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geblameerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geblameerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geblameerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geblameerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geblameerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geblameerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geblameerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geblameerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geblameerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geblameerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geblameerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geblameerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geblameerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geblameerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geblameerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geblameerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te blameren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geblameerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen blameren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geblameerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geblameerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geblameerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geblameerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geblameerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geblameerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geblameerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geblameerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geblameerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geblameerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geblameerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geblameerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geblameerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geblameerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geblameerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geblameerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geblameerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geblameerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geblameerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geblameerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal blameren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal blameren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal blameren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geblameerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geblameerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geblameerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geblameerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geblameerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geblameerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geblameerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me blameren | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich blameren | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je blameren | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich blamerend | onvoltooid, deelwoord |
| zich geblameerd hebben | verleden tijd |
| zijn geblameerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geblameerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geblameerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geblameerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou blameren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou blameren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou blameren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geblameerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geblameerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geblameerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geblameerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geblameerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geblameerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geblameerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geblameerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geblameerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden blameren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden blameren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden blameren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geblameerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geblameerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geblameerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geblameerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geblameerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geblameerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geblameerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geblameerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geblameerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt blameren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geblameerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geblameerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geblameerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen blameren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen blameren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen blameren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen blameren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘berispen’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Woordfamilie van blameren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| blameer | gebiedende wijs | blameren |
| blameerde | verleden tijd | blameren |
| blameerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | blameren |
| blameert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | blameren |
| blamere | aanvoegende wijs | blameren |
| blamerend | onvoltooid deelwoord | blameren |
| blamerende | woordvorm | blameren |
| geblameerd | voltooid deelwoord | blameren |
| geblameerde | woordvorm | blameren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van blameren zijn vastgelegd.