Naar de inhoud

blancheren

het gedurende zeer korte tijd in kokend water gaar laten worden van voedingsmiddelen, zodat geur, smaak en uiterlijk optimaal behouden blijven

blancheren

werkwoord

Betekenis

  1. het gedurende zeer korte tijd in kokend water gaar laten worden van voedingsmiddelen, zodat geur, smaak en uiterlijk optimaal behouden blijven

Vervoeging van blancheren

blancherenhele werkwoord — blancheerdeverleden tijd enkelvoud — blancheerdenverleden tijd meervoud — geblancheerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik blancheer blancheerde
jij blancheert blancheerde
hij, zij, het blancheert blancheerde
wij blancheren blancheerden
jullie blancheren blancheerden
zij blancheren blancheerden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
blancheer gebiedende wijs
blancheerde verleden tijd
blanchere aanvoegende wijs
blancherend onvoltooid, deelwoord
er is geblancheerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geblancheerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geblancheerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geblancheerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geblancheerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geblancheerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geblancheerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geblancheerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geblancheerd verleden tijd, deelwoord
geblancheerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geblancheerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geblancheerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geblancheerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geblancheerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geblancheerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geblancheerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geblancheerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geblancheerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geblancheerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geblancheerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geblancheerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geblancheerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geblancheerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geblancheerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geblancheerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geblancheerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te blancheren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geblancheerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen blancheren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal blancheren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal blancheren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal blancheren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geblancheerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geblancheerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geblancheerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou blancheren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou blancheren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou blancheren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geblancheerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geblancheerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geblancheerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden blancheren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden blancheren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden blancheren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geblancheerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geblancheerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geblancheerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt blancheren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geblancheerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen blancheren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen blancheren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen blancheren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen blancheren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen geblancheerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geblancheerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geblancheerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult blancheren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult geblancheerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘spijzen enkele minuten opkoken, licht van kleur maken’ voor het eerst aangetroffen in 1761

Woordfamilie van blancheren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
blancheer gebiedende wijs blancheren
blancheerde verleden tijd blancheren
blancheerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon blancheren
blancheert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon blancheren
blanchere aanvoegende wijs blancheren
blancherend onvoltooid deelwoord blancheren
blancherende woordvorm blancheren
geblancheerd voltooid deelwoord blancheren
geblancheerde woordvorm blancheren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van blancheren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over blancheren

Wat is de betekenis van blancheren?
Blancheren is een werkwoord. De betekenis is: het gedurende zeer korte tijd in kokend water gaar laten worden van voedingsmiddelen, zodat geur, smaak en uiterlijk optimaal behouden blijven.
Hoe vervoeg ik blancheren?
Zo vervoeg je blancheren zo: de tegenwoordige tijd is blancheer, de verleden tijd is blancheerde en het voltooid deelwoord is geblancheerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord blancheren is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. L 3
  3. A 1
  4. N 1
  5. C 5
  6. H 4
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

blancheren levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 99 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. L 3
  3. A 1
  4. N 1
  5. C 5
  6. H 4
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 23 zonder bonus
  12. 99 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

blancheren in het kort

blancheren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van blancheren staan er 40 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort blancheren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

blancheren: het gedurende zeer korte tijd in kokend water gaar laten worden van voedingsmiddelen, zodat geur, smaak en uiterlijk optimaal behouden blijven
Deel blancheren — standaardnederlands.nl