Naar de inhoud

bingoën

bingo spelen, organiseren

bingoën

werkwoord

Betekenis

  1. bingo spelen, organiseren

Vervoeging van bingoën

bingoënhele werkwoord — bingodeverleden tijd enkelvoud — bingodenverleden tijd meervoud — gebingoodvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bingo bingode
jij bingoot bingode
hij, zij, het bingoot bingode
wij bingoën bingoden
jullie bingoën bingoden
zij bingoën bingoden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
bingo gebiedende wijs
bingode verleden tijd
bingoë aanvoegende wijs
bingoënd onvoltooid, deelwoord
er is gebingood impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gebingood impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gebingood impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gebingood impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gebingood worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gebingood zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gebingood worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gebingood zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gebingood verleden tijd, deelwoord
gebingood te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebingood zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gebingood voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gebingood voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gebingood voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gebingood voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gebingood voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gebingood voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gebingood voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gebingood voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gebingood actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gebingood voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gebingood voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gebingood voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gebingood voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gebingood voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gebingood voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te bingoën actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gebingood actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen bingoën actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal bingoën aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal bingoën aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal bingoën aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gebingood hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebingood hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gebingood hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou bingoën aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou bingoën aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou bingoën aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gebingood hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebingood hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebingood hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bingoën aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bingoën aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bingoën aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gebingood hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gebingood hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gebingood hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt bingoën aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gebingood hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen bingoën actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen bingoën aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bingoën aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bingoën aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gebingood hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gebingood hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gebingood hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult bingoën aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gebingood hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Afgeleid van bingo.

Woordfamilie van bingoën

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bingode verleden tijd bingoën
bingoden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon bingoën
bingoot aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon bingoën
bingoë aanvoegende wijs bingoën
bingoënd onvoltooid deelwoord bingoën
bingoënde woordvorm bingoën
gebingood voltooid deelwoord bingoën

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bingoën zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over bingoën

Wat betekent bingoën?
Bingoën is een werkwoord. Het woord betekent: bingo spelen, organiseren.
Hoe vervoeg je bingoën?
Je vervoegt bingoën als volgt: de tegenwoordige tijd is bingo, de verleden tijd is bingode en het voltooid deelwoord is gebingood. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord bingoën is 11 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. I 1
  3. N 1
  4. G 3
  5. O 1
  6. E 1
  7. N 1
  8. 11 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

bingoën levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 103 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. I 2
  3. N 1
  4. G 3
  5. O 1
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 zonder bonus
  9. 103 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

bingoën in het kort

bingoën staat in dit woordenboek als werkwoord. Van bingoën zijn 40 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort bingoën bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

bingoën: bingo spelen, organiseren
Deel bingoën — standaardnederlands.nl