bingo
zelfstandig naamwoord, tussenwerpsel, werkwoord ˈbɪŋɡoBetekenis
- kansspel, waarbij elke speler een eigen formulier met rijen nummers heeft en hierop die nummers aftekent die door een spelleider willekeurig worden getrokken en omgeroepen, totdat een speler een complete rij afgetekende nummers heeft en 'Bingo!' roept
- een uitroep gebruikt door spelers van bingo om aanspraak te maken op een overwinning
- een uitroep bij het vinden van iets waar naar men op zoek was
Hoe spreek je bingo uit?
/ˈbɪŋgo/
Bingo bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| g | goal |
| o | boot |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine, neuter
- kansspel, waarbij elke speler een eigen formulier met rijen nummers heeft en hierop die nummers aftekent die door een spelleider willekeurig worden getrokken en omgeroepen, totdat een speler een complete rij afgetekende nummers heeft en "Bingo!" roept
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bingo's | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bingoën
- gebiedende wijs van bingoën
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bingoën
Vervoeging van bingo
bingohele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘hazardspel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1968
Woordfamilie van bingo
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bingo's | meervoud | bingo |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bingo zijn vastgelegd.