bingoën
werkwoordBetekenis
- bingo spelen, organiseren
Vervoeging van bingoën
bingoënhele werkwoord — bingodeverleden tijd enkelvoud — bingodenverleden tijd meervoud — gebingoodvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bingo | bingode |
| jij | bingoot | bingode |
| hij, zij, het | bingoot | bingode |
| wij | bingoën | bingoden |
| jullie | bingoën | bingoden |
| zij | bingoën | bingoden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bingo | gebiedende wijs |
| bingode | verleden tijd |
| bingoë | aanvoegende wijs |
| bingoënd | onvoltooid, deelwoord |
| er is gebingood | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebingood | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebingood | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebingood | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebingood worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebingood zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebingood worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebingood zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebingood | verleden tijd, deelwoord |
| gebingood te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebingood zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebingood | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebingood | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebingood | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebingood | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebingood | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebingood | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebingood | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebingood | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebingood | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebingood | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebingood | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebingood | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebingood | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebingood | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebingood | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bingoën | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebingood | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bingoën | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bingoën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bingoën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bingoën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebingood hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebingood hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebingood hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bingoën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bingoën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bingoën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebingood hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebingood hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebingood hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bingoën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bingoën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bingoën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebingood hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebingood hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebingood hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bingoën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebingood hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bingoën | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bingoën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bingoën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bingoën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebingood hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebingood hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebingood hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bingoën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebingood hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van bingo.
Woordfamilie van bingoën
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bingode | verleden tijd | bingoën |
| bingoden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bingoën |
| bingoot | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bingoën |
| bingoë | aanvoegende wijs | bingoën |
| bingoënd | onvoltooid deelwoord | bingoën |
| bingoënde | woordvorm | bingoën |
| gebingood | voltooid deelwoord | bingoën |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bingoën zijn vastgelegd.