Naar de inhoud

bijvallen

nog meer vallen

bijvallen

werkwoord

Betekenis

  1. nog meer vallen
  2. iemands zijde kiezen in een discussie

Vervoeging van bijvallen

bijvallenhele werkwoord — viel bijverleden tijd enkelvoud — vielen bijverleden tijd meervoud — bijgevallenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik val bij viel bij
jij valt bij viel bij
hij, zij, het valt bij viel bij
wij vallen bij vielen bij
jullie vallen bij vielen bij
zij vallen bij vielen bij
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben bijgevallen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent bijgevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bij te vallen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bij te zullen vallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
bij zal vallen bijzin, toekomende tijd
bij zou vallen bijzin, voorwaardelijk
bij zouden vallen bijzin, voorwaardelijk
bij zoudt vallen bijzin, voorwaardelijk
bij zullen vallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
bij zullen vallen bijzin, toekomende tijd
bij zult vallen bijzin, toekomende tijd
bijgevallen verleden tijd, deelwoord
bijgevallen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bijgevallen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bijval bijzin, tegenwoordige tijd
bijvallend onvoltooid, deelwoord
bijvalt bijzin, tegenwoordige tijd
bijviel bijzin, verleden tijd
bijvielen bijzin, verleden tijd
bijvielt bijzin, verleden tijd
ev. gebiedende wijs
is bijgevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is bijgevallen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn bijgevallen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen bijvallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
val bij gebiedende wijs
viel bij verleden tijd
waart bijgevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren bijgevallen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren bijgevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren bijgevallen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was bijgevallen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was bijgevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was bijgevallen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal bijgevallen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bijgevallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal bijgevallen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bijvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal bijvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal bijvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal bijvallen bijzin, toekomende tijd
zijn bijgevallen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn bijgevallen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn bijgevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn bijgevallen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt bijgevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou bijgevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bijgevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bijgevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bijvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou bijvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou bijvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou bijvallen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) bijvallen bij zou(dt) vallen bijzin, voorwaardelijk
zouden bijgevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bijgevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bijgevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bijvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bijvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bijvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden bijvallen bijzin, voorwaardelijk
zoudt bijgevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bijvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt bijvallen bijzin, voorwaardelijk
zullen bijgevallen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bijgevallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bijgevallen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bijvallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen bijvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bijvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bijvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen bijvallen bijzin, toekomende tijd
zult bijgevallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult bijvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult bijvallen bijzin, toekomende tijd
zult/zal bijvallen bij zult/zal vallen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

In de betekenis van ‘de zijde kiezen van’ voor het eerst aangetroffen in 1445

Woordfamilie van bijvallen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bijgevallen voltooid deelwoord bijvallen
bijvalle with-subordinate-clause bijvallen
bijvallend onvoltooid deelwoord bijvallen
bijvallende woordvorm bijvallen
bijvalt subordinate-clause, tegenwoordige tijd bijvallen
bijviel subordinate-clause, verleden tijd bijvallen
bijvielen subordinate-clause, verleden tijd bijvallen
val bij gebiedende wijs bijvallen
valle bij woordvorm bijvallen
vallen bij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon bijvallen
valt bij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon bijvallen
viel bij verleden tijd bijvallen
vielen bij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon bijvallen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bijvallen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over bijvallen

Wat is de betekenis van bijvallen?
Bijvallen is een werkwoord. De betekenis is: nog meer vallen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik bijvallen?
Zo vervoeg je bijvallen zo: het voltooid deelwoord is bijgevallen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord bijvallen is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. I 1
  3. J 4
  4. V 4
  5. A 1
  6. L 3
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

bijvallen levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. I 2
  3. J 4
  4. V 4
  5. A 1
  6. L 3
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 23 zonder bonus
  11. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

bijvallen in het kort

bijvallen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van bijvallen staan er 48 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort bijvallen bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

bijvallen: nog meer vallen
Deel bijvallen — standaardnederlands.nl