Naar de inhoud

bijklussen

werk verrichten naast of buiten een officieel dienstverband om

bijklussen

werkwoord

Betekenis

  1. werk verrichten naast of buiten een officieel dienstverband om

Vervoeging van bijklussen

bijklussenhele werkwoord — kluste bijverleden tijd enkelvoud — klusten bijverleden tijd meervoud — bijgeklustvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik klus bij kluste bij
jij klust bij kluste bij
hij, zij, het klust bij kluste bij
wij klussen bij klusten bij
jullie klussen bij klusten bij
zij klussen bij klusten bij
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
bij te klussen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bij te zullen klussen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
bij zal klussen bijzin, toekomende tijd
bij zou klussen bijzin, voorwaardelijk
bij zouden klussen bijzin, voorwaardelijk
bij zoudt klussen bijzin, voorwaardelijk
bij zullen klussen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
bij zullen klussen bijzin, toekomende tijd
bij zult klussen bijzin, toekomende tijd
bijgeklust verleden tijd, deelwoord
bijgeklust te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bijgeklust zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bijklus bijzin, tegenwoordige tijd
bijklussend onvoltooid, deelwoord
bijklust bijzin, tegenwoordige tijd
bijkluste bijzin, verleden tijd
bijklusten bijzin, verleden tijd
ev. gebiedende wijs
had bijgeklust voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had bijgeklust voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had bijgeklust voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden bijgeklust voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden bijgeklust voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden bijgeklust voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt bijgeklust voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb bijgeklust voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bijgeklust actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben bijgeklust voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bijgeklust voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben bijgeklust voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt bijgeklust voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bijgeklust voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bijgeklust voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
klus bij gebiedende wijs
kluste bij verleden tijd
te hebben bijgeklust actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen bijklussen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal bijgeklust hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bijgeklust hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal bijgeklust hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bijklussen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal bijklussen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal bijklussen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal bijklussen bijzin, toekomende tijd
zou bijgeklust hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bijgeklust hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bijgeklust hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bijklussen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou bijklussen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou bijklussen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou bijklussen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) bijklussen bij zou(dt) klussen bijzin, voorwaardelijk
zouden bijgeklust hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bijgeklust hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bijgeklust hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bijklussen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bijklussen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bijklussen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden bijklussen bijzin, voorwaardelijk
zoudt bijgeklust hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bijklussen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt bijklussen bijzin, voorwaardelijk
zullen bijgeklust hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bijgeklust hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bijgeklust hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bijklussen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen bijklussen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bijklussen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bijklussen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen bijklussen bijzin, toekomende tijd
zult bijgeklust hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult bijklussen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult bijklussen bijzin, toekomende tijd
zult/zal bijklussen bij zult/zal klussen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van bij en klussen

Woordfamilie van bijklussen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bijgeklust voltooid deelwoord bijklussen
bijklus subordinate-clause, tegenwoordige tijd bijklussen
bijklusse with-subordinate-clause bijklussen
bijklussend onvoltooid deelwoord bijklussen
bijklussende woordvorm bijklussen
bijklust subordinate-clause, tegenwoordige tijd bijklussen
bijkluste subordinate-clause, verleden tijd bijklussen
bijklusten subordinate-clause, verleden tijd bijklussen
klus bij gebiedende wijs bijklussen
klusse bij woordvorm bijklussen
klussen bij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon bijklussen
klust bij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon bijklussen
kluste bij verleden tijd bijklussen
klusten bij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon bijklussen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bijklussen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over bijklussen

Wat is de betekenis van bijklussen?
Bijklussen is een werkwoord. De betekenis is: werk verrichten naast of buiten een officieel dienstverband om.
Hoe vervoeg ik bijklussen?
Zo vervoeg je bijklussen zo: het voltooid deelwoord is bijgeklust. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord bijklussen is 24 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. I 1
  3. J 4
  4. K 3
  5. L 3
  6. U 4
  7. S 2
  8. S 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 24 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

bijklussen levert met Wordfeud minimaal 24 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. I 2
  3. J 4
  4. K 3
  5. L 3
  6. U 2
  7. S 2
  8. S 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 24 zonder bonus
  12. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

bijklussen in het kort

bijklussen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van bijklussen staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort bijklussen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

bijklussen: werk verrichten naast of buiten een officieel dienstverband om
Deel bijklussen — standaardnederlands.nl