breuk
zelfstandig naamwoord brøkBetekenis
- de uitkomst (quotiënt) van een deling van twee of meer gehele getallen
- een gebroken gedeelte van een object
- beëindiging van een relatie
Hoe spreek je breuk uit?
/brøk/
Breuk bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| r | rood |
| ø | deur |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- grens tussen twee aardplaten
- een einde van een periode waarna een nieuw begin begint
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| breuken | meervoud |
| breukje | verkleinwoord, enkelvoud |
| breukjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘het breken, barst’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van breuk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| breuken | meervoud | breuk |
| breukje | verkleinwoord | breuk |
| breukjes | verkleinwoord meervoud | breuk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van breuk zijn vastgelegd.