beugel
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈbøː.ɣəl/Betekenis
- U-vormige metalen voorwerp (dan half-open) maar ook (metalen) ring
- verende en scharnierende ring tot sluiting van een fles
- hulpmiddel waarmee de stand van het gebit kan worden gecorrigeerd
- een uitwendig gedragen hulpmiddel ter correctie van standsafwijkingen of abnormale beweeglijkheid van gewrichten of van de wervelkolom
- stroomafnemer gebruikt door een trolleyvoertuig, pantograaf
Hoe spreek je beugel uit?
/ˈbøxəl/
Beugel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ø | deur |
| x | acht |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| beugels | meervoud |
| beugeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| beugeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beugelen
- gebiedende wijs van beugelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beugelen
Vervoeging van beugel
beugelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘ijzeren ring’ voor het eerst aangetroffen in 1339.
Woordfamilie van beugel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beugels | meervoud | beugel |
| beugeltje | verkleinwoord | beugel |
| beugeltjes | verkleinwoord meervoud | beugel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beugel zijn vastgelegd.