beslapen
werkwoordBetekenis
- als bed gebruiken
Vervoeging van beslapen
beslapenhele werkwoord — besliepverleden tijd enkelvoud — besliepenverleden tijd meervoud — beslapenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beslaap | besliep |
| jij | beslaapt | besliep |
| hij, zij, het | beslaapt | besliep |
| wij | beslapen | besliepen |
| jullie | beslapen | besliepen |
| zij | beslapen | besliepen |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben beslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent beslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| beslaap | gebiedende wijs |
| beslape | aanvoegende wijs |
| beslapen | verleden tijd, deelwoord |
| beslapen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beslapen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beslapen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beslapen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beslapen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beslapen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beslapen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beslapen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beslapen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beslapen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beslapend | onvoltooid, deelwoord |
| besliep | verleden tijd |
| er is beslapen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was beslapen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd beslapen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt beslapen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal beslapen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal beslapen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou beslapen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou beslapen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had beslapen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had beslapen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had beslapen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden beslapen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden beslapen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden beslapen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt beslapen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb beslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beslapen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben beslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben beslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt beslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is beslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is beslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beslapen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben beslapen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beslapen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart beslapen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beslapen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren beslapen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beslapen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was beslapen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was beslapen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was beslapen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd beslapen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd beslapen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd beslapen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden beslapen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden beslapen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden beslapen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt beslapen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word beslapen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden beslapen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden beslapen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden beslapen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt beslapen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt beslapen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal beslapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beslapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beslapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal beslapen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beslapen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal beslapen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal beslapen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beslapen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn beslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn beslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn beslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt beslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou beslapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beslapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beslapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou beslapen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beslapen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beslapen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou beslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beslapen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beslapen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beslapen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beslapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beslapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beslapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden beslapen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beslapen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beslapen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beslapen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beslapen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beslapen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt beslapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt beslapen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beslapen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen beslapen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beslapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beslapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beslapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen beslapen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beslapen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beslapen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beslapen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beslapen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beslapen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult beslapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult beslapen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beslapen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van beslapen
Vervoeging van beslapen
beslapenhele werkwoord — besliepverleden tijd enkelvoud — besliepenverleden tijd meervoud — beslapenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beslaap | besliep |
| jij | beslaapt | besliep |
| hij, zij, het | beslaapt | besliep |
| wij | beslapen | besliepen |
| jullie | beslapen | besliepen |
| zij | beslapen | besliepen |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben beslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent beslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| beslaap | gebiedende wijs |
| beslape | aanvoegende wijs |
| beslapen | verleden tijd, deelwoord |
| beslapen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beslapen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beslapen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beslapen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beslapen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beslapen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beslapen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beslapen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beslapen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beslapen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beslapend | onvoltooid, deelwoord |
| besliep | verleden tijd |
| er is beslapen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was beslapen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd beslapen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt beslapen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal beslapen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal beslapen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou beslapen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou beslapen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had beslapen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had beslapen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had beslapen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden beslapen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden beslapen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden beslapen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt beslapen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb beslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beslapen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben beslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben beslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt beslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is beslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is beslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beslapen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben beslapen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beslapen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart beslapen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beslapen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren beslapen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beslapen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was beslapen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was beslapen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was beslapen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd beslapen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd beslapen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd beslapen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden beslapen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden beslapen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden beslapen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt beslapen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word beslapen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden beslapen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden beslapen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden beslapen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt beslapen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt beslapen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal beslapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beslapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beslapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal beslapen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beslapen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal beslapen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal beslapen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beslapen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn beslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn beslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn beslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt beslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou beslapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beslapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beslapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou beslapen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beslapen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beslapen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou beslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beslapen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beslapen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beslapen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beslapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beslapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beslapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden beslapen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beslapen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beslapen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beslapen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beslapen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beslapen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt beslapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt beslapen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beslapen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen beslapen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beslapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beslapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beslapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen beslapen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beslapen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beslapen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beslapen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beslapen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beslapen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult beslapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult beslapen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beslapen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van slapen met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van beslapen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beslaap | gebiedende wijs | beslapen |
| beslaapt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | beslapen |
| beslape | aanvoegende wijs | beslapen |
| beslapend | onvoltooid deelwoord | beslapen |
| beslapende | woordvorm | beslapen |
| besliep | verleden tijd | beslapen |
| besliepen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | beslapen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beslapen zijn vastgelegd.