beroeren
werkwoordBetekenis
- onrust veroorzaken, in onrustige beweging brengen
- aanraken
Vervoeging van beroeren
beroerenhele werkwoord — beroerdeverleden tijd enkelvoud — beroerdenverleden tijd meervoud — beroerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beroer | beroerde |
| jij | beroert | beroerde |
| hij, zij, het | beroert | beroerde |
| wij | beroeren | beroerden |
| jullie | beroeren | beroerden |
| zij | beroeren | beroerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben beroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent beroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| beroer | gebiedende wijs |
| beroerd | verleden tijd, deelwoord |
| beroerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beroerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beroerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beroerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beroerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beroerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beroerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beroerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beroerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beroerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beroerde | verleden tijd |
| beroere | aanvoegende wijs |
| beroerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is beroerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was beroerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd beroerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt beroerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal beroerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal beroerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou beroerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou beroerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had beroerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had beroerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had beroerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden beroerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden beroerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden beroerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt beroerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb beroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beroerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben beroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben beroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt beroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is beroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is beroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beroeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben beroerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beroeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart beroerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beroerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren beroerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beroerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was beroerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was beroerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was beroerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd beroerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd beroerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd beroerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden beroerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden beroerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden beroerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt beroerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word beroerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden beroerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden beroerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden beroerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt beroerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt beroerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal beroerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beroerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal beroerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beroerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beroerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal beroerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beroerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beroeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beroeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beroeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn beroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn beroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn beroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt beroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou beroerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beroerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beroerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beroerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beroerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou beroerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beroerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beroerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beroerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beroeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beroeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beroeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden beroerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beroerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beroerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beroerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beroerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beroerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beroerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beroerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beroerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beroeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beroeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beroeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt beroerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beroerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beroerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beroeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen beroerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beroerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beroerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beroerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beroerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beroerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beroerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beroerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beroerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beroeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beroeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beroeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beroeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult beroerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beroerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beroerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beroeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van roeren met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van beroeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beroerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | beroeren |
| beroere | aanvoegende wijs | beroeren |
| beroerend | onvoltooid deelwoord | beroeren |
| beroerende | woordvorm | beroeren |
| beroert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | beroeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beroeren zijn vastgelegd.