Naar de inhoud

aankomen

een bestemming bereiken

aankomen

werkwoord ˈaŋkomə(n)

Betekenis

  1. een bestemming bereiken
  2. een kort bezoek brengen*
  3. treffen
  4. zwaarder worden
  5. dichterbij komen
  6. aanraken

Hoe spreek je aankomen uit?

/ˈaŋkomən/

Aankomen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈaŋkomən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
a maan
ŋ ding
k kat
o boot
m maan
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. emotioneel raken; emotioneel beroeren
  2. iets zien aankomen: iets verwachten

Vervoeging van aankomen

aankomenhele werkwoord — kwam aanverleden tijd enkelvoud — kwamen aanverleden tijd meervoud — aangekomenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik kom aan kwam aan
jij komt aan kwaamt aan
hij, zij, het komt aan kwam aan
wij komen aan kwamen aan
jullie komen aan kwamen aan
zij komen aan kwamen aan
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
aan te komen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen komen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal komen bijzin, toekomende tijd
aan zou komen bijzin, voorwaardelijk
aan zouden komen bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt komen bijzin, voorwaardelijk
aan zullen komen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen komen bijzin, toekomende tijd
aan zult komen bijzin, toekomende tijd
aangekomen verleden tijd, deelwoord
aangekomen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangekomen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aankom bijzin, tegenwoordige tijd
aankomend onvoltooid, deelwoord
aankomt bijzin, tegenwoordige tijd
aankwaamt bijzin, verleden tijd
aankwam bijzin, verleden tijd
aankwamen bijzin, verleden tijd
ben aangekomen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent aangekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is aangekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is aangekomen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kom aan gebiedende wijs
kwam aan verleden tijd
te zijn aangekomen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aankomen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart aangekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangekomen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren aangekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangekomen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was aangekomen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was aangekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was aangekomen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal aangekomen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangekomen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangekomen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aankomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aankomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aankomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aankomen bijzin, toekomende tijd
zijn aangekomen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn aangekomen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn aangekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn aangekomen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt aangekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou aangekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aankomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aankomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aankomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aankomen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aankomen aan zou(dt) komen bijzin, voorwaardelijk
zouden aangekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aankomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aankomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aankomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aankomen bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aankomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aankomen bijzin, voorwaardelijk
zullen aangekomen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangekomen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangekomen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aankomen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aankomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aankomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aankomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aankomen bijzin, toekomende tijd
zult aangekomen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult aankomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult aankomen bijzin, toekomende tijd
zult/zal aankomen aan zult/zal komen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van aan bw en komen ww

Woordfamilie van aankomen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aangekomen voltooid deelwoord aankomen
aankom subordinate-clause, tegenwoordige tijd aankomen
aankome with-subordinate-clause aankomen
aankomt subordinate-clause, tegenwoordige tijd aankomen
aankwam subordinate-clause, verleden tijd aankomen
aankwamen subordinate-clause, verleden tijd aankomen
kom aan gebiedende wijs aankomen
kome aan woordvorm aankomen
komen aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aankomen
komt aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aankomen
kwaamt aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon aankomen
kwam aan verleden tijd aankomen
kwamen aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aankomen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aankomen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over aankomen

Hoe spreek je aankomen uit?
De uitspraak van aankomen is: /ˈaŋkomə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent aankomen?
Aankomen is een werkwoord. Het woord betekent: een bestemming bereiken. Deze pagina beschrijft 8 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je aankomen?
Je vervoegt aankomen als volgt: het voltooid deelwoord is aangekomen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aankomen is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. K 3
  5. O 1
  6. M 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aankomen levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 54 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. K 3
  5. O 1
  6. M 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 12 zonder bonus
  10. 54 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aankomen in het kort

aankomen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 8 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van aankomen zijn 48 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort aankomen bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

aankomen: een bestemming bereiken
Deel aankomen — standaardnederlands.nl