aankomen
werkwoord ˈaŋkomə(n)Betekenis
- een bestemming bereiken
- een kort bezoek brengen*
- treffen
- zwaarder worden
- dichterbij komen
- aanraken
Hoe spreek je aankomen uit?
/ˈaŋkomən/
Aankomen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| ŋ | ding |
| k | kat |
| o | boot |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- emotioneel raken; emotioneel beroeren
- iets zien aankomen: iets verwachten
Vervoeging van aankomen
aankomenhele werkwoord — kwam aanverleden tijd enkelvoud — kwamen aanverleden tijd meervoud — aangekomenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kom aan | kwam aan |
| jij | komt aan | kwaamt aan |
| hij, zij, het | komt aan | kwam aan |
| wij | komen aan | kwamen aan |
| jullie | komen aan | kwamen aan |
| zij | komen aan | kwamen aan |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te komen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal komen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou komen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden komen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt komen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen komen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult komen | bijzin, toekomende tijd |
| aangekomen | verleden tijd, deelwoord |
| aangekomen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangekomen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aankom | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aankomend | onvoltooid, deelwoord |
| aankomt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aankwaamt | bijzin, verleden tijd |
| aankwam | bijzin, verleden tijd |
| aankwamen | bijzin, verleden tijd |
| ben aangekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is aangekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kom aan | gebiedende wijs |
| kwam aan | verleden tijd |
| te zijn aangekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aankomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal aangekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aankomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aankomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aankomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aankomen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aangekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn aangekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aankomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aankomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aankomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aankomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aankomen aan zou(dt) komen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aankomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aankomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aankomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aankomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aankomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aankomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aankomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aankomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aankomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aankomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aankomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aankomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aankomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aankomen aan zult/zal komen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan bw en komen ww
Woordfamilie van aankomen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangekomen | voltooid deelwoord | aankomen |
| aankom | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aankomen |
| aankome | with-subordinate-clause | aankomen |
| aankomt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aankomen |
| aankwam | subordinate-clause, verleden tijd | aankomen |
| aankwamen | subordinate-clause, verleden tijd | aankomen |
| kom aan | gebiedende wijs | aankomen |
| kome aan | woordvorm | aankomen |
| komen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aankomen |
| komt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aankomen |
| kwaamt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | aankomen |
| kwam aan | verleden tijd | aankomen |
| kwamen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aankomen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aankomen zijn vastgelegd.