Naar de inhoud

beroepen

op: zijn positie verdedigen door te verwijzen naar een bestaande regel of wet

beroepen is meer dan één woord

beroepen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. op: zijn positie verdedigen door te verwijzen naar een bestaande regel of wet
  2. iemand vragen de verantwoordelijkheden van voorganger van een kerkelijke gemeente op zich te nemen

werkwoord

  1. ~ op: zijn positie verdedigen door te verwijzen naar een bestaande regel of wet reflexive

Vervoeging van beroepen

beroepenhele werkwoord — beriepverleden tijd enkelvoud — beriepenverleden tijd meervoud — beroepenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik beroep beriep
jij beroept beriep
hij, zij, het beroept beriep
wij beroepen beriepen
jullie beroepen beriepen
zij beroepen beriepen
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben beroepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent beroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
beriep verleden tijd
beriep je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
beriep me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
beriep u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
beriep u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
beriep zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
beriep zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
beriep zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
beriepen je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
beriepen ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
beriepen zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
beroep gebiedende wijs
beroep me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
beroep u/je , beroept je gebiedende wijs
beroepe aanvoegende wijs
beroepe zich aanvoegende wijs
beroepen verleden tijd, deelwoord
beroepen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
beroepen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
beroepen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
beroepen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
beroepen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
beroepen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
beroepen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
beroepen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
beroepen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
beroepen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
beroepen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
beroepen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
beroepen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
beroepend onvoltooid, deelwoord
beroept je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
beroept u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
beroept u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
beroept zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
beroept zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
beroept zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
er is beroepen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was beroepen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd beroepen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt beroepen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal beroepen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal beroepen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou beroepen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou beroepen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had beroepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had beroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had beroepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden beroepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden beroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden beroepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt beroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb beroepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben beroepen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben beroepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben beroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben beroepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt beroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft beroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft beroepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is beroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is beroepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te beroepen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben beroepen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen beroepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart beroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren beroepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren beroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren beroepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was beroepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was beroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was beroepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd beroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd beroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd beroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden beroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden beroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden beroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt beroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word beroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden beroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden beroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden beroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt beroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt beroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal beroepen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal beroepen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal beroepen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal beroepen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal beroepen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal beroepen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal beroepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal beroepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal beroepen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal beroepen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me beroepen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich beroepen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je beroepen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich beroepen hebben verleden tijd
zich beroepend onvoltooid, deelwoord
zijn beroepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn beroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn beroepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt beroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou beroepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou beroepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou beroepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou beroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou beroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou beroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou beroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou beroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou beroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou beroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou beroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou beroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden beroepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden beroepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden beroepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden beroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden beroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden beroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden beroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden beroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden beroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden beroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden beroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden beroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt beroepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt beroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt beroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt beroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen beroepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen beroepen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen beroepen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen beroepen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord beroep

Vervoeging van beroepen

beroepenhele werkwoord

Herkomst

Afgeleid van roepen met het voorvoegsel be-

Woordfamilie van beroepen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
beriep verleden tijd beroepen
beriepen aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon beroepen
beroepe aanvoegende wijs beroepen
beroepend onvoltooid deelwoord beroepen
beroepende woordvorm beroepen
beroept aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon beroepen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beroepen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over beroepen

Wat betekent beroepen?
Beroepen is een werkwoord. Het woord betekent: op: zijn positie verdedigen door te verwijzen naar een bestaande regel of wet. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je beroepen?
Je vervoegt beroepen als volgt: de tegenwoordige tijd is beroep, de verleden tijd is beriep en het voltooid deelwoord is beroepen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord beroepen is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. E 1
  3. R 2
  4. O 1
  5. E 1
  6. P 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

beroepen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. O 1
  5. E 1
  6. P 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

beroepen in het kort

beroepen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van beroepen zijn 103 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort beroepen bij een woordfamilie van 6 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

beroepen: op: zijn positie verdedigen door te verwijzen naar een bestaande regel of wet
Deel beroepen — standaardnederlands.nl