bepleisteren
werkwoordBetekenis
- een pleisterlaag op iets aanbrengen
Vervoeging van bepleisteren
bepleisterenhele werkwoord — bepleisterdeverleden tijd enkelvoud — bepleisterdenverleden tijd meervoud — bepleisterdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bepleister | bepleisterde |
| jij | bepleistert | bepleisterde |
| hij, zij, het | bepleistert | bepleisterde |
| wij | bepleisteren | bepleisterden |
| jullie | bepleisteren | bepleisterden |
| zij | bepleisteren | bepleisterden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben bepleisterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent bepleisterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bepleister | gebiedende wijs |
| bepleisterd | verleden tijd, deelwoord |
| bepleisterd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bepleisterd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bepleisterd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bepleisterd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bepleisterd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bepleisterd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bepleisterd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bepleisterd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bepleisterd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bepleisterd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bepleisterde | verleden tijd |
| bepleistere | aanvoegende wijs |
| bepleisterend | onvoltooid, deelwoord |
| er is bepleisterd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was bepleisterd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd bepleisterd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt bepleisterd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal bepleisterd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal bepleisterd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou bepleisterd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou bepleisterd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bepleisterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bepleisterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bepleisterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bepleisterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bepleisterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bepleisterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bepleisterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bepleisterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bepleisterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bepleisterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bepleisterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bepleisterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bepleisterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bepleisterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bepleisterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is bepleisterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is bepleisterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bepleisteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bepleisterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bepleisteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart bepleisterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bepleisterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren bepleisterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bepleisterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was bepleisterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was bepleisterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was bepleisterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd bepleisterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd bepleisterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd bepleisterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden bepleisterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden bepleisterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden bepleisterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt bepleisterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word bepleisterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden bepleisterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden bepleisterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden bepleisterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt bepleisterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt bepleisterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal bepleisterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bepleisterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bepleisterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bepleisterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bepleisterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal bepleisterd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bepleisterd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bepleisteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bepleisteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bepleisteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn bepleisterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn bepleisterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn bepleisterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt bepleisterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bepleisterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bepleisterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bepleisterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bepleisterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bepleisterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou bepleisterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bepleisterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bepleisterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bepleisterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bepleisteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bepleisteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bepleisteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden bepleisterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bepleisterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bepleisterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bepleisterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bepleisterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bepleisterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bepleisterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bepleisterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bepleisterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bepleisteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bepleisteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bepleisteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt bepleisterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bepleisterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bepleisterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bepleisteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen bepleisterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bepleisterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bepleisterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bepleisterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bepleisterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bepleisterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bepleisterd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bepleisterd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bepleisterd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bepleisteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bepleisteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bepleisteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bepleisteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult bepleisterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bepleisterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bepleisterd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bepleisteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van pleisteren met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van bepleisteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bepleister | gebiedende wijs | bepleisteren |
| bepleisterd | voltooid deelwoord | bepleisteren |
| bepleisterde | verleden tijd | bepleisteren |
| bepleisterden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bepleisteren |
| bepleistere | aanvoegende wijs | bepleisteren |
| bepleisterend | onvoltooid deelwoord | bepleisteren |
| bepleisterende | woordvorm | bepleisteren |
| bepleistert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bepleisteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bepleisteren zijn vastgelegd.