beplanten
werkwoord /bə.ˈplɑn.tə(n)/Betekenis
- (een terrein) bezetten met de geschikte planten
Hoe spreek je beplanten uit?
/bəˈplɑntən/
Beplanten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| p | pak |
| l | land |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- bezetten met de geschikte planten transitive
Vervoeging van beplanten
beplantenhele werkwoord — beplantteverleden tijd enkelvoud — beplanttenverleden tijd meervoud — beplantvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beplant | beplantte |
| jij | beplant | beplantte |
| hij, zij, het | beplant | beplantte |
| wij | beplanten | beplantten |
| jullie | beplanten | beplantten |
| zij | beplanten | beplantten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben beplant | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent beplant | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| beplant | gebiedende wijs |
| beplant | verleden tijd, deelwoord |
| beplant te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beplant te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beplant te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beplant te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beplant te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beplant worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beplant zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beplant zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beplant zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beplant zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beplante | aanvoegende wijs |
| beplantend | onvoltooid, deelwoord |
| beplantte | verleden tijd |
| er is beplant | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was beplant | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd beplant | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt beplant | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal beplant worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal beplant zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou beplant worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou beplant zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had beplant | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had beplant | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had beplant | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden beplant | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden beplant | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden beplant | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt beplant | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb beplant | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beplant | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben beplant | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beplant | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben beplant | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt beplant | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beplant | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beplant | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is beplant | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is beplant | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beplanten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben beplant | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beplanten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart beplant | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beplant | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren beplant | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beplant | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was beplant | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was beplant | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was beplant | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd beplant | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd beplant | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd beplant | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden beplant | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden beplant | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden beplant | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt beplant | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word beplant | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden beplant | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden beplant | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden beplant | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt beplant | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt beplant | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal beplant hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beplant hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal beplant hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beplant worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beplant worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal beplant zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beplant zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beplanten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beplanten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beplanten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn beplant | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn beplant | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn beplant | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt beplant | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou beplant hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beplant hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beplant hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beplant worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beplant worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou beplant worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beplant zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beplant zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beplant zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beplanten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beplanten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beplanten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden beplant hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beplant hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beplant hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beplant worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beplant worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beplant worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beplant zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beplant zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beplant zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beplanten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beplanten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beplanten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt beplant hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beplant worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beplant zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beplanten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen beplant hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beplant hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beplant hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beplant worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beplant worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beplant worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beplant zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beplant zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beplant zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beplanten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beplanten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beplanten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beplanten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult beplant hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beplant worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beplant zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beplanten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van planten met het voorvoegsel be-.
Woordfamilie van beplanten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beplant | voltooid deelwoord | beplanten |
| beplante | aanvoegende wijs | beplanten |
| beplantend | onvoltooid deelwoord | beplanten |
| beplantende | woordvorm | beplanten |
| beplantte | verleden tijd | beplanten |
| beplantten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | beplanten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beplanten zijn vastgelegd.