belet
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- hinder.
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van beletten
- gebiedende wijs van beletten
- voltooid deelwoord van beletten
Vervoeging van belet
belethele werkwoord
Herkomst
*vervoeging van beletten: de stam zonder -t omdat de stam al op -t eindigt en zonder ge- vanwege voorvoegsel