behoud
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- het behoeden voor of verhinderen van een teloorgang
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van behouden
- gebiedende wijs van behouden
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van behouden
Vervoeging van behoud
behoudhele werkwoord
Herkomst
Naamwoord van handeling van behouden.