beargumenteren
werkwoordBetekenis
- met argumenten onderbouwen
Vervoeging van beargumenteren
beargumenterenhele werkwoord — beargumenteerdeverleden tijd enkelvoud — beargumenteerdenverleden tijd meervoud — beargumenteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beargumenteer | beargumenteerde |
| jij | beargumenteert | beargumenteerde |
| hij, zij, het | beargumenteert | beargumenteerde |
| wij | beargumenteren | beargumenteerden |
| jullie | beargumenteren | beargumenteerden |
| zij | beargumenteren | beargumenteerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| beargumenteer | gebiedende wijs |
| beargumenteerd | verleden tijd, deelwoord |
| beargumenteerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beargumenteerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beargumenteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beargumenteerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beargumenteerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beargumenteerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beargumenteerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beargumenteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beargumenteerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beargumenteerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beargumenteerde | verleden tijd |
| beargumentere | aanvoegende wijs |
| beargumenterend | onvoltooid, deelwoord |
| ben beargumenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent beargumenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is beargumenteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was beargumenteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd beargumenteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt beargumenteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal beargumenteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal beargumenteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou beargumenteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou beargumenteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had beargumenteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had beargumenteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had beargumenteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden beargumenteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden beargumenteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden beargumenteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt beargumenteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb beargumenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beargumenteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben beargumenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beargumenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben beargumenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt beargumenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beargumenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beargumenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is beargumenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is beargumenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beargumenteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben beargumenteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beargumenteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart beargumenteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beargumenteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren beargumenteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beargumenteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was beargumenteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was beargumenteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was beargumenteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd beargumenteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd beargumenteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd beargumenteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden beargumenteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden beargumenteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden beargumenteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt beargumenteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word beargumenteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden beargumenteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden beargumenteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden beargumenteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt beargumenteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt beargumenteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal beargumenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beargumenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal beargumenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beargumenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beargumenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal beargumenteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beargumenteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beargumenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beargumenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beargumenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn beargumenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn beargumenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn beargumenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt beargumenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou beargumenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beargumenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beargumenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beargumenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beargumenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou beargumenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beargumenteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beargumenteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beargumenteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beargumenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beargumenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beargumenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden beargumenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beargumenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beargumenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beargumenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beargumenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beargumenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beargumenteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beargumenteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beargumenteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beargumenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beargumenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beargumenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt beargumenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beargumenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beargumenteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beargumenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen beargumenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beargumenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beargumenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beargumenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beargumenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beargumenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beargumenteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beargumenteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beargumenteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beargumenteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beargumenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beargumenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beargumenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult beargumenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beargumenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beargumenteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beargumenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van argumenteren met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van beargumenteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beargumenteer | gebiedende wijs | beargumenteren |
| beargumenteerd | voltooid deelwoord | beargumenteren |
| beargumenteerde | verleden tijd | beargumenteren |
| beargumenteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | beargumenteren |
| beargumenteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | beargumenteren |
| beargumentere | aanvoegende wijs | beargumenteren |
| beargumenterend | onvoltooid deelwoord | beargumenteren |
| beargumenterende | woordvorm | beargumenteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beargumenteren zijn vastgelegd.