beëindigen
werkwoord bəˈʔɛindəɣə(n)Betekenis
- tot een einde brengen
Hoe spreek je beëindigen uit?
/bəˈɛindəxən/
Beëindigen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| ɛi | trein |
| n | nek |
| d | dak |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- tot een afsluiting brengen transitive
Vervoeging van beëindigen
beëindigenhele werkwoord — beëindigdeverleden tijd enkelvoud — beëindigdenverleden tijd meervoud — beëindigdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beëindig | beëindigde |
| jij | beëindigt | beëindigde |
| hij, zij, het | beëindigt | beëindigde |
| wij | beëindigen | beëindigden |
| jullie | beëindigen | beëindigden |
| zij | beëindigen | beëindigden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben beëindigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent beëindigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| beëindig | gebiedende wijs |
| beëindigd | verleden tijd, deelwoord |
| beëindigd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beëindigd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beëindigd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beëindigd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beëindigd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beëindigd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beëindigd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beëindigd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beëindigd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beëindigd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beëindigde | verleden tijd |
| beëindige | aanvoegende wijs |
| beëindigend | onvoltooid, deelwoord |
| er is beëindigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was beëindigd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd beëindigd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt beëindigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal beëindigd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal beëindigd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou beëindigd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou beëindigd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had beëindigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had beëindigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had beëindigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden beëindigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden beëindigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden beëindigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt beëindigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb beëindigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beëindigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben beëindigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beëindigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben beëindigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt beëindigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beëindigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beëindigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is beëindigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is beëindigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beëindigen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben beëindigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beëindigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart beëindigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beëindigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren beëindigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beëindigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was beëindigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was beëindigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was beëindigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd beëindigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd beëindigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd beëindigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden beëindigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden beëindigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden beëindigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt beëindigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word beëindigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden beëindigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden beëindigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden beëindigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt beëindigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt beëindigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal beëindigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beëindigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal beëindigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beëindigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beëindigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal beëindigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beëindigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beëindigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beëindigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beëindigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn beëindigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn beëindigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn beëindigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt beëindigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou beëindigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beëindigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beëindigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beëindigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beëindigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou beëindigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beëindigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beëindigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beëindigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beëindigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beëindigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beëindigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden beëindigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beëindigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beëindigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beëindigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beëindigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beëindigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beëindigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beëindigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beëindigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beëindigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beëindigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beëindigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt beëindigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beëindigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beëindigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beëindigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen beëindigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beëindigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beëindigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beëindigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beëindigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beëindigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beëindigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beëindigd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beëindigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beëindigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beëindigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beëindigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beëindigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult beëindigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beëindigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beëindigd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beëindigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid met het voorvoegsel be- van einde met het achtervoegsel -ig en met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van beëindigen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beëindig | gebiedende wijs | beëindigen |
| beëindigd | voltooid deelwoord | beëindigen |
| beëindigde | verleden tijd | beëindigen |
| beëindigden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | beëindigen |
| beëindige | aanvoegende wijs | beëindigen |
| beëindigend | onvoltooid deelwoord | beëindigen |
| beëindigende | woordvorm | beëindigen |
| beëindigt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | beëindigen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beëindigen zijn vastgelegd.