basis
zelfstandig naamwoord ˈbazɪsBetekenis
- grondslag
- militaire nederzetting
- datgene waarop een lichaam steunt of rust, grondvlak, fundament, fundering
- grondvlak of grondlijn van een wiskundige figuur
- grondgetal van een talstelsel
- spelersgroep die aan een wedstrijd begint
- draagvlak
- fundament, grond
- schedelbasis
- base, loog
- základ
- zásada
- kyselina
Hoe spreek je basis uit?
/ˈbazɪs/
Basis bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| a | maan |
| z | zon |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- een van de drie aansluitingen van een transistor
- belangrijkste eerste begin van een proces
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bases, basissen | meervoud |
| basisje | verkleinwoord, enkelvoud |
| basisjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
via Latijn basis "grondslag" van Oudgrieks βάσις "schrede, fundament", in de betekenis van ‘grondslag’ voor het eerst aangetroffen in 1618
Woordfamilie van basis
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bases | meervoud | basis |
| basisje | verkleinwoord | basis |
| basisjes | verkleinwoord meervoud | basis |
| basissen | meervoud | basis |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van basis zijn vastgelegd.