ark
zelfstandig naamwoord ˈɑrᵊkBetekenis
- een vaartuig om in te wonen
- kast voor de Torarollen
- boog, cirkel.
Hoe spreek je ark uit?
/ˈɑrək/
Ark bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| r | rood |
| ə | de |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- vaartuig waarop men kan wonen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| arken | meervoud |
| arkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| arkjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
via Middelnederlands arke en Oudnederlands arka van Latijn arca "kast, kist"; gebruikt als benaming voor het vaartuig van Noach in de Bijbel Genesis 6:14 **[1] in de betekenis van ‘woonschuit’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1642
Woordfamilie van ark
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| arken | meervoud | ark |
| arkje | verkleinwoord | ark |
| arkjes | verkleinwoord meervoud | ark |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ark zijn vastgelegd.