bakeren
werkwoord /'bakərə(n)/Betekenis
- het strak inwikkelen van een baby in een deken of lappen
Hoe spreek je bakeren uit?
/ˈbakərən/
Bakeren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| a | maan |
| k | kat |
| ə | de |
| r | rood |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van bakeren
bakerenhele werkwoord — bakerdeverleden tijd enkelvoud — bakerdenverleden tijd meervoud — gebakerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | baker | bakerde |
| jij | bakert | bakerde |
| hij, zij, het | bakert | bakerde |
| wij | bakeren | bakerden |
| jullie | bakeren | bakerden |
| zij | bakeren | bakerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| baker | gebiedende wijs |
| bakerde | verleden tijd |
| bakere | aanvoegende wijs |
| bakerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebakerd | verleden tijd, deelwoord |
| gebakerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebakerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebakerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebakerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebakerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebakerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebakerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebakerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebakerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebakerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebakerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebakerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebakerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebakerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebakerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebakerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebakerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bakeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebakerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bakeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bakeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bakeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bakeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebakerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebakerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebakerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bakeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bakeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bakeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebakerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebakerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebakerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bakeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bakeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bakeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebakerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebakerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebakerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bakeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebakerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bakeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bakeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bakeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bakeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebakerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebakerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebakerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bakeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebakerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordfamilie van bakeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bakerde | verleden tijd | bakeren |
| bakerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bakeren |
| bakere | aanvoegende wijs | bakeren |
| bakerend | onvoltooid deelwoord | bakeren |
| bakerende | woordvorm | bakeren |
| bakert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bakeren |
| gebakerd | voltooid deelwoord | bakeren |
| gebakerde | woordvorm | bakeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bakeren zijn vastgelegd.