bad
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ba.də(n)/Betekenis
- voorwerp waarin men zich wast met water
- hoeveelheid water of ander medium waarin iets of iemand ondergedompeld kan worden
- bad
- gebruikt in woordsamenstellingen met bade-, bijv. : iets dat met baden te maken heeft
- slecht
- schadelijk
- bedorven
- ernstig
- minderwaardig
- kwaadaardig
- het baden in water, zand, modder of andere stoffen of in de zon
- bad (hoeveelheid vloeistof)
- bad (hoeveelheid chemische vloeistof)
- badkamer
- badplaats, kuuroord
- gebouw met badkamers of zwembad
- bad (hoeveelheid water of andere vloeistof)
- bad (voor een of meerdere personen)
- bad (chemisch)
- van badhus of badplats
Hoe spreek je bad uit?
/badən/
Bad bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| a | maan |
| d | dak |
| ə | de |
| n | nek |
zelfstandig naamwoord — neuter
- voorwerp waarin men zich wast met water, meestal in de vorm van een vat [1] of kuip en gemaakt van hout of een harder materiaal, zoals steen of ijzer
- een bad [1] nemen het zich baden ww
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| baden | meervoud |
| badje | verkleinwoord, enkelvoud |
| badjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud verleden tijd van bidden
Vervoeging van bad
badhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘kuip, water waarin men zich baadt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van bad
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| badje | verkleinwoord | bad |
| badjes | verkleinwoord meervoud | bad |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bad zijn vastgelegd.