badgast
zelfstandig naamwoord 'bɑtxɑstBetekenis
- een persoon die een badplaats bezoekt
- rare kerel, iemand die zich vreemd gedraagt.
Hoe spreek je badgast uit?
/ˈbɑtxɑst/
Badgast bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑ | bad |
| t | tak |
| x | acht |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| badgasten | meervoud |
| badgastje | verkleinwoord, enkelvoud |
| badgastjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van bad en gast
Woordfamilie van badgast
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| badgasten | meervoud | badgast |
| badgastje | verkleinwoord | badgast |
| badgastjes | verkleinwoord meervoud | badgast |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van badgast zijn vastgelegd.