baddoek
zelfstandig naamwoord ˈbɑdukBetekenis
- handdoek die men gebruikt in de badkamer na het baden of douchen
Hoe spreek je baddoek uit?
/ˈbɑduk/
Baddoek bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑ | bad |
| d | dak |
| u | boek |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| baddoeken | meervoud |
Herkomst
samenstelling van bad zn en doek zn
Woordfamilie van baddoek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| baddoeken | meervoud | baddoek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van baddoek zijn vastgelegd.