autorijden
werkwoord /otorɛi(d)ə(n)/Betekenis
- zich voortbewegen door een auto te besturen
Hoe spreek je autorijden uit?
/otorɛidən/
Autorijden bestaat uit vier lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| t | tak |
| r | rood |
| ɛi | trein |
| d | dak |
| ə | de |
| n | nek |
Vervoeging van autorijden
autorijdenhele werkwoord — reed autoverleden tijd enkelvoud — reden autoverleden tijd meervoud — autogeredenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rij auto | reed auto |
| jij | rijdt auto | reed auto |
| hij, zij, het | rijdt auto | reed auto |
| wij | rijden auto | reden auto |
| jullie | rijden auto | reden auto |
| zij | rijden auto | reden auto |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| auto te rijden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| auto te zullen rijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| auto zal rijden | bijzin, toekomende tijd |
| auto zou rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| auto zouden rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| auto zoudt rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| auto zullen rijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| auto zullen rijden | bijzin, toekomende tijd |
| auto zult rijden | bijzin, toekomende tijd |
| autogereden | verleden tijd, deelwoord |
| autogereden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| autogereden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| autoreden | bijzin, verleden tijd |
| autoreed | bijzin, verleden tijd |
| autorij | bijzin, tegenwoordige tijd |
| autorijd | bijzin, tegenwoordige tijd |
| autorijdend | onvoltooid, deelwoord |
| autorijdt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had autogereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had autogereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had autogereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden autogereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden autogereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden autogereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt autogereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb autogereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben autogereden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben autogereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben autogereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben autogereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt autogereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft autogereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft autogereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| reed auto | verleden tijd |
| rij auto | gebiedende wijs |
| rijd auto | gebiedende wijs |
| te hebben autogereden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen autorijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal autogereden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal autogereden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal autogereden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal autorijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal autorijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal autorijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal autorijden | bijzin, toekomende tijd |
| zou autogereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou autogereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou autogereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou autorijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou autorijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou autorijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou autorijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) autorijden auto zou(dt) rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden autogereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden autogereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden autogereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden autorijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden autorijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden autorijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden autorijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt autogereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt autorijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt autorijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen autogereden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen autogereden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen autogereden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen autorijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen autorijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen autorijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen autorijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen autorijden | bijzin, toekomende tijd |
| zult autogereden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult autorijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult autorijden | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal autorijden auto zult/zal rijden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van auto en rijden
Woordfamilie van autorijden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| autogereden | voltooid deelwoord | autorijden |
| autoreden | subordinate-clause, verleden tijd | autorijden |
| autoreed | subordinate-clause, verleden tijd | autorijden |
| autorij | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | autorijden |
| autorijd | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | autorijden |
| autorijde | with-subordinate-clause | autorijden |
| autorijdend | onvoltooid deelwoord | autorijden |
| autorijdende | woordvorm | autorijden |
| autorijdt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | autorijden |
| reden auto | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | autorijden |
| reed auto | verleden tijd | autorijden |
| rij auto | gebiedende wijs | autorijden |
| rijd auto | gebiedende wijs | autorijden |
| rijde auto | woordvorm | autorijden |
| rijden auto | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | autorijden |
| rijdt auto | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | autorijden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van autorijden zijn vastgelegd.