autorijbewijs
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een certificaat dat als bewijs dient voor iemands bevoegdheid om een autovoertuig te besturen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| autorijbewijsje | verkleinwoord, enkelvoud |
| autorijbewijsjes | verkleinwoord, meervoud |
| autorijbewijzen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van auto en rijbewijs
Woordfamilie van autorijbewijs
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| autorijbewijsje | verkleinwoord | autorijbewijs |
| autorijbewijsjes | verkleinwoord meervoud | autorijbewijs |
| autorijbewijzen | meervoud | autorijbewijs |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van autorijbewijs zijn vastgelegd.